Is Nederland nu corrupt of juist niet?

Accountants schatten dat Nederland voor 10 miljard euro smeergeld betaalt. Toch komt het heel goed weg op de corruptie-index. Wat is waar, vraagt Michel van Hulten.

Twee berichten op dezelfde dag en flagrant tegenstrijdig! Deze krant zet op 26 oktober op de voorpagina informatie van de Nederlandse afdeling van Transparency International: „Nederlandse bedrijven zijn mogelijk op aanzienlijke schaal betrokken bij het betalen van smeergeld en steekpenningen in het buitenland. [Het] zou kunnen gaan om een bedrag van 10 miljard euro [per jaar].”

Transparency International (TI) is een niet-gouvernementele organisatie die strijdt tegen corruptie in de wereld. TI-Berlijn, het hoofdkwartier, publiceert op dezelfde dag de jongste Corruption Perceptions Index, waarin Nederland de zevende plaats bezet. Het hoeft alleen Denemarken, Nieuw-Zeeland, Singapore, Finland, Zweden en Canada voor te laten. Tussen deze landen zijn minimale verschillen. Nederland scoort 8,8 punten uit 10,0. Het ‘schoonst’ is Denemarken, met 9,3. Bovendien is de hoge Nederlandse score geen toevalstreffer – sinds deze index wordt gepubliceerd (1995), scoorde Nederland tussen 8,6 en 9,0.

Heeft de Nederlandse afdeling ongelijk? Zij leunt op onderzoeksresultaten van PricewaterhouseCoopers (PwC) in Groot-Brittannië, waaruit blijkt dat 4 procent van het Britse bruto nationaal product gerelateerd is aan omkoping. TI-Nederland (TI-N) redeneert dat als het Nederlandse bedrijfsleven twee keer eerlijker zou zijn dan dat in Groot-Brittannië, dus met 2 procent van het bnp gerelateerd aan omkoping, het resultaat 10 miljard euro per jaar zou zijn. Gezien de internationale concurrentie en de wijze waarop anderen de contracten binnenhalen, kan het nauwelijks minder zijn.

Andere informatie wijst in dezelfde richting en versterkt de redenering van TI-N. In 2007 zei minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA), verwijzend naar onderzoek onder 30.000 ambtenaren, dat 1 op 6 van hen „vindt dat de leidinggevende geen goed voorbeeld geeft op integriteitsgebied”. De EU publiceerde in Eurobarometer 291 (april 2008): „44 procent van de Nederlanders vindt corruptie in Nederland een majeur probleem”.

Hoe kan het dan dat TI-Berlijn tot een zo totaal andere conclusie komt? Hun onderzoekers verzamelen gegevens afkomstig uit 13 andere onderzoeken die verspreid over de gehele wereld zijn uitgevoerd. De ondervraagden zijn vooral blanke mannen met witteboordenbanen, een goede opleiding en goed inkomen, dikwijls expatriates, in een aantal gevallen lokale experts. Die onderzoeken betreffen de indruk die ze hebben van corruptie (die overigens niet eenduidig gedefinieerd wordt) in hun zakelijke omgevingen. Geen vrouwen, geen armen, weinig blauwe overalls. Een wel zeer vertekenende steekproef. Het ergste is dat het niet om feiten gaat, maar om indrukken (‘percepties’).

Het PwC-onderzoek wordt uitgevoerd door hun accountants, typisch het soort mensen dat op feiten afgaat en rekeningen napluist. Geen wonder dat die andere waarnemingen doen. Voor Groot-Brittannië zelf noteert TI-Berlijn een score van 7,6 en geeft het als rangnummer 20. Dat is nog steeds vrij hoog als je bedenkt wat er aan corruptie in dat land bekend geworden is in recente jaren, met als klapstuk het gedrag van de defensie-industrie, die inmiddels voor honderden miljoenen beboet is. Niet te vergeten de leden van Hogerhuis en Lagerhuis, die wat te veel eigen profijt haalden uit hun declaratiemogelijkheden.

Politici in Nederland zijn al jaren bekend met deze kritiek. Toch gebruikten ze klakkeloos de uitkomsten. Omdat Nederland er binnen deze foute aanpak goed uitkomt? In haar tijd als minister voor Ontwikkelingssamenwerking schrapte Eveline Herfkens (PvdA) onmiddellijk de steun aan Kameroen toen dat land in 1998 en 1999 bij TI-Berlijn als laatste eindigde. Nu vinden Buitenlandse Zaken en Justitie weliswaar dat de onderzoeken niet deugen, maar de resultaten bevallen goed. Consequentie: er is geen behoefte aan beter onderzoek met meer betrouwbare resultaten.

Slechts één keer heeft de Kamer zich met dit onderwerp beziggehouden. In 2007 kreeg de minister van Buitenlandse Zaken de Kamervraag (Handelingen 31.200, nr 1282, vraag 153): „Bent u bekend met de kritiek van o.a. oud-staatssecretaris Van Hulten op de Corruptie-index, die stelt dat het slechts gaat om percepties en niet daadwerkelijk onderzoek? Deelt u die kritiek? Zo ja, waarom gebruikt u de gegevens van Transparency?”

De minister antwoordde: „De Corruption Perception Index van Transparency is het meest bekende instrument om een globaal inzicht te verschaffen in de corruptiesituatie in landen. [...] De kritiek van o.a. oud-staatssecretaris Van Hulten op de CPI van TI is bekend. Zijn kritiek is methodologisch terecht: het gaat zoals ook de naam van de index aangeeft, om percepties van met name westerse bedrijven. De kritiek is niet nieuw en wordt ook door Transparency International zelf onderschreven waarbij zij aangeeft dat de index geen inzicht biedt in het absolute niveau van corruptie.”

Helaas wijst alle publiciteit nog steeds in een andere richting en worden landen er wel op afgerekend. Ten onrechte steken de Nederlandse regering en Nederlandse bedrijven zichzelf een pluim op de hoed.

Dr. Michel van Hulten is lector governance aan de Saxion Academie voor Bestuur en Recht te Enschede. Hij was staatssecretaris (Verkeer, PPR) in het kabinet-Den Uyl (1973-1977).