Het onderzoek is anti-verloskundige

Verloskundigen bepalen of een zwangere vrouw verhoogde risico’s loopt.

Alles valt of staat met een goede relatie met de arts.

Dinsdagochtend, tien over negen. In de kamer van verloskundige Govi Hoskam klinkt de gezonde hartslag van een – nog ongeboren – kindje. Als alles goed gaat, en daar lijkt het op, zal het jongetje over veertien weken thuis geboren worden.

Oudste broer Kas kwam in het ziekenhuis ter wereld. De bevalling van zusje Dunya was thuis, maar had wegens complicaties ook in het ziekenhuis moeten plaatsvinden. „Ik verloor veel bloed”, vertelt de moeder. „Het ging zo snel. Toen de vroedvrouw er eenmaal was, kon ik al niet meer naar het ziekenhuis. Achteraf ben ik daar blij om.” Ze loopt graag rond tijdens de weeën. „In het ziekenhuis lig je vast aan allemaal slangen. Verschrikkelijk.”

Maar volgens de meest recente studie is een thuisbevalling riskanter voor de baby dan bevalling bij een gynaecoloog. Het huidige verloskundig systeem werkt niet goed. Het bestaat uit twee verschillende werelden: die van de holistische verloskundigen (de zogenoemde eerste lijn) en die van de medisch-technische gynaecologen (de tweede lijn). De eerste groep ziet baat bij een zo natuurlijk mogelijke bevalling, de tweede sluit het liefst alle risico’s uit.

Govi Hoskam en Aucke Lycklama A Nijeholt – collega’s bij de praktijk voor verloskunde De Lekbrug in de provincie Utrecht – vinden dat niet alle verloskundigen over een kam geschoren kunnen worden. „Bij de Lekbrug zijn we allemaal echoscopist en volgen we moeder en kind van intake tot baring”, zegt Lycklama A Nijeholt. Ook de termijnecho’s en bloedprikken doen ze zelf.

Dat is niet overal zo, al vindt Govi Hoskam dat je eigenlijk niet zonder kunt. „Met een echo haal je de dingen er veel sneller uit”, en als verloskundige is dat belangrijk. „Wij zijn degenen die de risicoselectie moeten doen”.

In de kamer naast haar zit collega Hanneke Wijma. Zij doet vandaag de echo’s. Bij een vrouw in de 13de week meet Wijma het hoofdje, de buik en de beentjes. Het is al haar vierde zwangerschap, toch gaat Wijma alles na. „Heeft u ooit een bloedtransfusie gehad? Een miskraam?” Nee. „Suikerziekte in de familie?” Nee. „Tweelingen? Hoge bloeddruk?” Wijma moet vaststellen of er een verhoogd risico is. In dat geval wordt de bevalling automatisch ‘medisch’ en vindt in het ziekenhuis plaats. Dat is bijvoorbeeld altijd zo als het vorige kind, zoals bij deze vrouw, met een keizersnede ter wereld is gekomen.

Deze vrouw zal dus door een gynaecoloog of arts-assistent geholpen worden bij de bevalling. De kans dat de communicatie tussen verloskundige en gynaecoloog dan misloopt is volgens het onderzoek klein. Het grootste risico op kindersterfte zou ontstaan wanneer de overdracht van verloskundige aan gynaecoloog tijdens de bevalling plaatsheeft.

De verloskundigen van deze praktijk erkennen dat er een probleem is in de overdracht, maar dat ligt niet alleen aan de verloskundigen. Ze wijten het ook aan de aanpak van academische- en opleidingscentra. Daar worden de bevallingen meestal gedaan door arts-assistenten, en die werken maar voor korte tijd in de centra. „In eerste instantie doe je zaken met de arts-assistent”, zegt Govi Hoskam, „maar doordat ze er kort zitten, kennen we elkaar niet”. De verloskundigen vinden het onderzoek, kortgezegd, „te anti-eerste lijn”. Hoskam: „Alles staat of valt met een goede relatie tussen eerste en tweede lijn”.