Een aardige buurman kun je niet verdedigen

Na de psychiaters en voetbalcoaches kijkt Coen Verbraak in de ziel van bekende advocaten. Wat doe je als je weet dat ergens een bom wordt gelegd?

Gerard Spong zei ooit als jonge strafpleiter in een talkshow van Sonja Barend dat hij de redactie niet zou waarschuwen als een van zijn cliënten een bom zou hebben geplaatst in de tv-studio. Hij zou er wel voor zorgen dat hij zelf niet als gast aanwezig zou zijn.

Zijn provocatieve mediaoptreden kwam hem op veel kritiek te staan en bracht een denkproces op gang, vertelt hij in de nieuwe zesdelige serie Kijken in de ziel – strafpleiters, die vanavond begint. In bepaalde levensbedreigende situaties zou hij nu wel alarm slaan. „Dan kan mijn geheimhoudingsplicht het schudden”, zegt hij.

Op verzoek van NRC Handelsblad keek strafpleiter Bart Nooitgedagt (38) naar twee afleveringen (deel één en vijf) van Kijken in de ziel, die nu is gewijd aan zijn beroepsgroep. De raadsman, die onder meer een terreurverdachte van de Hofstadgroep bijstaat, behoort tot een jongere generatie dan de meeste advocaten die in de zesdelige reeks worden geportretteerd aan de hand van hun visie op het vak.

Met socratische vragen onderzoekt interviewer Coen Verbraak bijvoorbeeld hoe rekbaar de ethische grenzen zijn als het gaat om de geheimhoudingsplicht die wettelijk vastligt. De gewetensvragen leveren volgens Nooitgedagt „verrassende antwoorden” op.

Zijn collega Bénédicte Ficq zou haar toga aan de wilgen hangen als ze ooit naar justitie zou stappen. Stijn Franken vindt dat de geheimhoudingsplicht niet geldt als het om moord gaat. Lucy Oldenburg zou haar beroepsgeheim nog niet schenden als er een bom lag in de straat waar haar tante woonde. „Misschien zou ik haar die dag wel een middagje meenemen naar Vlissingen”, zegt ze in de serie.

Nooitgedagt vindt dat sommige collega’s „te kort door de bocht gaan’’ als ze zeggen dat ze naar de politie stappen als een cliënt vertelt dat hij een strafbaar feit gaat plegen. „De geheimhoudingsplicht is een van de fundamenten van ons vak. Er zit een filosofie achter die erop neerkomt dat mensen altijd in vrijheid met hun advocaat moeten kunnen spreken”, zegt Nooitgedagt. „Als je daar lichtzinnig mee omgaat dan schaad je niet alleen je eigen positie als advocaat, maar ook het vertrouwen in de strafrechtadvocatuur als geheel.”

Hij vindt dat Verbraak onvoldoende uitdiept dat een advocaat een cliënt er ook van kan weerhouden een strafbaar feit te plegen. „Je kunt inschatten hoe serieus iets is en dan sturend optreden. Ik heb de afgelopen veertien jaar wel meegemaakt dat een cliënt roept dat hij de officier van justitie een klap op zijn bek zal geven of een getuige zal pakken die liegt. Hoe vaak moet je zo’n dreigement serieus nemen? Strafrecht is emotie. Als er veel op het spel staat, roepen mensen dingen waar je geen gewicht aan moet toekennen.”

Toch kan Nooitgedagt zich voorstellen dat zich zulke ernstige situaties voordoen dat je het recht hebt om schadebeperkend op te treden. „Maar dan hoef je nog niet je bron prijs te geven”, stelt hij. „Als er een bom in een straat ligt, kun je ook aan de autoriteiten laten weten dat er een dreigend risico is en het daarbij laten.” Ook vindt Nooitgedagt de serie niet altijd genuanceerd. „De gesprekken zijn knap gemonteerd: door korte fragmenten krijgt het programma veel vaart, maar dat gaat soms ten koste van de diepgang.”.

Het interessantst vindt hij vragen over de crux van het vak, zoals: zou je je buurman verdedigen als hij verdacht werd van moord? Theo Hiddema zegt in de serie: „Als de buurman een rotzak is dan maakt dat helemaal niets uit, maar als je een warme, affectieve relatie met hem hebt, dan moet je hem niet verdedigen.”

Soms vist de interviewer volgens hem te veel naar clichés. Hij ontwaarde irritatie bij zijn collega’s over de openingsvraag: hoe kun je iemand verdedigen van wie je weet dat hij een misdaad heeft begaan? „Die vraag is dodelijk vermoeiend, maar komt bij herhaling terug. Kennelijk is dat iets wat mensen bezighoudt als ze aan het vak strafrechtadvocaat denken.”