Anti-kunstmentaliteit vereist zorgvuldig betoog

‘De elite betaalt zich blauw aan subsidies voor de gewone man. Mag ze dan haar kunst behouden?’ Deze vraag is een impliciete verwijzing naar het profijtbeginsel: voort wat hoort wat. De vraag sluit in dat kunst nu eenmaal toebehoort aan een elite, wie daarmee ook bedoeld kan zijn. Ook verder is zijn redenering bizar. Heijne betaalt al zijn hele leven voor de voorzieningen van de kinderen van anderen. Kinderen zijn belangrijk voor de samenleving. Dat geldt volgens hem net zo voor kunstuitingen die nu eenmaal ook niet voor iedereen zijn. De waarden van kinderen en kunst worden door hem tegen elkaar weggestreept waar zij in geld kunnen worden uitgedrukt. Op dit principe berusten ook de bezuinigingsmaatregelen.

Van Bas Heijne had ik nu juist verwacht dat hij de lezer zou uitleggen waaróm kunst in principe buiten de categorieën van het calculeerbare valt. Wat natuurlijk niet wil zeggen dat zij onaantastbaar is in de aangekondigde kaalslag. Van Heijne had ik ook verwacht dat hij de psychologische kant van de cultuurbezuinigingen minder terloops zou afdoen. Terecht wijst hij op de kunstvijandigheid achter deze cultuurbezuinigingen. Maar bij wie we deze animositeit jegens de kunst aantreffen, en waarom, laat hij in het midden. Bedoelt hij dezelfde jan modaal voor wie hij zich blauw betaalt aan subsidies? Of gaat het hier om een heel andere bevolkingsgroep die niet bij machte is immateriële waarden te consumeren?

De verontrustende anti-kunstmentaliteit staat voorlopig boven aan op de agenda. Zij verdient een zorgvuldig betoog.

Prof.dr. Etty Mulder

Cultuurwetenschappen, Radboud Universiteit Nijmegen