Verschijningen

In de vloed van condoleances voor Harry Mulisch trof ik er ook een van Geert Wilders aan. Als een waar staatsman die beseft wat op zulke momenten van hem verwacht wordt, liet hij ons weten dat Mulisch „een groot schrijver” was geweest en dat hij diens dood een „enorm verlies voor Nederland” vond.

Toen moest ik even oprecht hartelijk lachen. Als iemand er ‘linkse hobby’s’ op na heeft gehouden, zonder er ooit een woord van terug te nemen, en als iemand de belichaming van de ‘Amsterdamse grachtengordelkliek’ was, dan toch Harry Mulisch. De obsessies van Wilders waren de habitat van Mulisch.

Goed nieuws dus voor Job Cohen. Als hij nog een poosje wacht met doodgaan, zal Wilders ook voor hem hete tranen schreien.

Wilders had het verzet tegen de zogenaamde Nederlandse regentenmentaliteit met Mulisch gemeen, wordt nu wel gezegd. „De regentenmentaliteit doordringt het hele Nederlandse leven, zoals de stank van een smeulende asbak het hele huis”, schreef Mulisch in 1966 in Bericht aan de rattenkoning. Maar de regenten van Wilders zijn links (al zitten ze niet in de regering) en die van Mulisch waren rechts (al waren PvdA-burgemeester Van Hall, Beatrix en Claus er ook een poosje bij).

Relevant blijft wel de vraag, zeker voor de Mulisch-biografen van straks: hoe diep zat dat linkse engagement bij Mulisch nu eigenlijk?

Was het modieus meewaaien met de linkse tijdgeest, zoals er nu modieus wordt meegewaaid met de rechtse? Of was het een diepgewortelde overtuiging?

Grasduinend in zijn boeken kwam ik dezer dagen tot een bevinding, die ik graag in de aandacht van die biografen zou willen aanbevelen.

Aan het einde van De toekomst van gisteren, een boek uit 1972, doet Mulisch verslag van „een ochtend in het Parijs van mei 1968’’. De heroïsche beginzin: „’s Morgens was ik bij een gevecht betrokken geraakt.’’ Als toevallige uitkijkpost in een straatgevecht van betogers tegen de politie, zo blijkt. Hij blijft ongedeerd en ontmoet later die dag op straat de schrijvers Mary McCarthy en Stephen Spender. Zij belanden samen in de Sorbonne, ‘het hoofdkwartier van de hoop’, waar Sartre zal spreken. Mulisch schrijft dat hij plotseling tranen in zijn ogen kreeg toen Sartre opkwam, „in een openhangende jas, lelijk, loensend, bevend van top tot teen’’.

Sartres verschijning zou hem het sterkst bijblijven uit die Parijse dagen.

Maar er was ook nog „een anonieme verschijning, die ik nooit meer zal kwijtraken’’. Die zag hij ’s nachts toen hij nog even de stad inliep. Voor hem op het trottoir liep „een revolutionair in volledige gevechtsuitrusting’’.

Hij zag hoe de man zich van zijn knuppel, schild en helm ontdeed. „Daarmee was hij plotseling veranderd in een gewone jongen; hij kamde zijn haren, verwijderde met duim en wijsvinger het stof van de revolutie er uit, stak de kam in zijn binnenzak en liep fluitend verder – de nieuwe tijd tegemoet: die van de restauratie, die van de neo-romantiek, waarin ik nu schrijf, en waarin de linkse beweging zichzelf met een prop van theorie de mond heeft gestopt (…).’’

Die jongen, vraag ik me nu af, was dat niet Mulisch zelf? De revolutie, of wat daarvoor doorging, was voorbij, er braken nieuwe tijden aan en hij ging weer fluitend romans schrijven.