Jan Mulder, altijd een publieksspeler gebleven

Na de lijvige biografieën over legendarische voetballers als Cruijff, Van Hanegem en Moulijn is er het koffietafelboek over het leven van Jan Mulder. Om Mulder kan niemand heen.

Mulder bij zijn MG, op het veld van zijn eerste club, WVV in Winschoten, met echtgenote Johanna op zijn eerste werkdag in Brussel (1965) en als beginnend 'stukjesschrijver'. Foto's uit het boek 'Jan Mulder'

Johan? Waar is Johan? Nee, Johan is er niet. Alweer niet. „Die zit toch gewoon in Barcelona”, zegt Johnny Rep droog. „Ach, ja, Johan”, zegt Rob Rensenbrink. De fotografen in Café Scheltema zijn teleurgesteld. Jan Mulder naast Johan Cruijff, de maatjes van vroeger naast elkaar, dat zou de presentatie van de biografie ‘Jan Mulder’ in Amsterdam nóg feestelijker hebben gemaakt.

Familieleden hebben zich samen met oude en jonge vrienden verzameld rond de voetballer van weleer die zich later ontwikkelde tot ‘stukjesschrijver’ en ‘mannetje van de televisie’, zoals de 65-jarige Mulder zich vaak neerzet. Hij is druk in de weer met omhelzen, handen schudden, schouders kloppen en praten – veel praten. Jan is een publieksspeler, altijd geweest. In grote stadions spelen, dat had hij al als jongetje in Winschoten, Oost-Groningen. De Kuip, nog liever Nou Camp en Bernabéu, daar wilde hij schitteren. Bij Ajax, waar Cruijff hem naartoe wilde halen. Of in Brussel, waar hij zomaar ineens als jongen bij Anderlecht neerdaalde en er de mooiste tijd van zijn leven zou doorbrengen.

Hij had zoals José Altafini willen worden, van Juventus, Braziliaan en Italiaan tegelijk. Snel, slim, schitterende benen waar de vrouwen op de tribune van in katzwijm vielen. Het was hem niet allemaal gegund. Niet Real Madrid, ondanks het dwingende verzoek van Alfredo Di Stéfano, de grote ster van toen. In het betoverende toen nog hagelwitte tenue zou hij nooit spelen. Ook niet bij Barcelona. Een handgeschreven brief van coach Rinus Michels ontroerde hem, maar het feest ging niet door. Ook het Oranjefeest van het WK van 1974 ging aan hem voorbij. Dezelfde Michels zette hem uit de Oranjeselectie, de ware reden is hem nooit verteld door de ‘Generaal’. Na zeven succesvolle jaren (met vele doelpunten) bij Anderlecht kwam hij bij toch bij Ajax, vooral om zijn moeder te behagen. Maar het lijf wilde niet meer, een kapotte knie weerhield hem er van weer zo te schitteren als bij Anderlecht.

Dat was toen. In 1975 (30 jaar) moest hij met zijn uitbundige voetballeven stoppen. Nu staat hij te oreren tegenover oud-voetballers, journalisten, artsen, kunstenaars, familie, vrienden en minnaressen in het café waar zijn eerste leven eindigde en zijn tweede leven begon. Hier ging hij bijna veertig jaar geleden trekkebenend naar binnen in de hoop dat zijn gesloopte benen konden worden opgelapt. De smalle trap op, met Wim de Lange, kroegbaas en masseur van het ouderwetse soort, om de beentjes wat krachtiger te maken. De verroeste machines staan nog steeds op de stoffige verdieping boven het dranklokaal. Een verdwaalde bodybuilder ligt onder de halters. Als de nu 76-jarige De Lange begint te vertellen wat zich daar allemaal heeft afgespeeld, komt het lijden van Jan Mulder weer tot leven. „Krachttraining kende men toen nog niet. Het ene been van Jan was dunner dan het andere – kwam van die knieblessure. Jan ging hard te keer. Hij moest en zou terugkomen bij Ajax. Die dokter Rolink zette alleen spuiten. Wat ik in mijn handen gedrukt kreeg, anabolen... Daar begon ik niet aan.”

Tussen de sessies door leerde hij in het café de andere wereld kennen. Journalisten, schrijvers, kunstenaars, even beroemd en even gedreven om publieke aandacht te trekken. Ze zouden hem van pas komen. De oefeningen bij De Lange hielpen niet. Eigenwijze artsen en trainers, en conflicten over verzekeringen leidden het afscheid van de voetballer in. Het werd heel stil om hem heen. Zijn vrouw Johanna, al vanaf haar dertiende aan zijn zijde, zag de ellende. Wat kon hij nog? In 1970 werd hij gevraagd om eens een Hollands Dagboek in NRC Handelsblad te schrijven. Een paar jaar later vroeg De Tijd of hij columnist wilde worden. In 1976 haalde Ben de Graaf als chef sport hem naar de Volkskrant, een voetballer die („wel aardig”, aldus De Graaf) kon schrijven.

„Leuk die columns, maar dit ga je natuurlijk niet je hele leven doen”, zei Johanna. Jawel, zei Jan. Schrijven en dromen over voetbal en andere werelden die zich in zijn hoofd verdrongen om beleefd te worden. Het werden stijlvolle columns. Soms kwam Jan op de redactie met aan zijn zijde een kleine blonde jongen (Youri, een van zijn twee zonen) vragen of er nog brieven waren. Het ontkennende antwoord van de chef moest leiden tot prikkelender stukjes. Langzaam maar zeker liet hij zijn fantasie meer de vrije loop. Zweverig, raar, of het niet wat zakelijker kon. Nee, dat kon hij niet. Mulder zag erotische taferelen in het strafschopgebied. Hij fantaseerde over de geile rug van Catherine Deneuve met wie hij in Brussel een taxi had gedeeld. Mulder maakte school als sportcolumnist. Velen zouden hem proberen te volgen.

Mulder groeide door, als schrijver, theaterman en televisieman. Explosief maar beminnelijk zette hij – waar hij maar gevraagd werd – kortzichtige politici en domme, pretentieuze wichten te kijk. Om Jan Mulder kan niemand meer heen. Eens een schitterende voetballer, nu een schitterende wereldburger. Als hij maar schittert. Jammer, dat Johan Cruijff er niet was. Maar misschien waren twee publiekspelers toch te veel geweest.