Adviesraad kraakt energiebeleid Rijk

Het Nederlandse energiebeleid faalt door een gebrek aan visie bij de overheid. De situatie is zorgelijk, zo stelt de Raad voor Ruimtelijk, Milieu- en Natuuronderzoek (RMNO). De Raad pleit voor wetgeving, en een sterk gecentraliseerde aanpak.

Dat blijkt uit het rapport ‘De volle zaaiershanden...’ dat de RMNO onlangs heeft gepubliceerd. Het rapport is zeer kritisch over het huidige energiebeleid.

Het klimaatprobleem en de groeiende afhankelijkheid van olie- en gasrijke landen zoals Rusland, Irak en Saoedi-Arabië maken een omslag van fossiele energie naar duurzame energie noodzakelijk. In Nederland stagneert die omslag, zo stelt de RMNO.

Een belangrijke oorzaak daarvan is volgens de Raad het ontbreken van een duidelijke regie door de overheid. Ze voert een hapsnap-beleid, met name het ministerie van Economische Zaken. De ene keer wordt windenergie gestimuleerd, de andere keer ondergrondse opslag van CO2, dan weer verbranding van biomassa.

Er is sprake van het „stelselmatig ontwijken van het maken van politieke keuzes”. Bovendien beperkt het beleid zich tot onderzoek. Zodra de fase is bereikt van grote demonstratieprojecten, die miljarden kosten, haakt de overheid vaak af.

De commissie die het rapport heeft opgesteld pleit voor een Duurzaamheidswet. Daarin moet worden vastgelegd hoe doelstellingen voor duurzame energie en terugdringing van de CO2-uitstoot worden bereikt. Andere landen, zoals Duitsland en Groot-Brittannië, hebben dat al gedaan.

„Ik ben in het algemeen geen voorstander van wetgeving, maar in dit geval is zo’n zwaar middel nodig om het beleid consistenter te maken”, zegt commissievoorzitter Roel in ’t Veld, voormalig staatssecretaris van Onderwijs.

In het rapport wordt een vergelijking gemaakt met de jaren zestig. Na de ontdekking van de gasbel onder Groningen, in 1959, lukte het Nederland wel om snel de omslag te maken van kolen naar gas. Dat had volgens In ’t Veld te maken met het instellen van de commissie-Van der Grinten.

Deze commissie, bestaande uit drie personen die de belangrijkste politieke stromingen (de KVP, de VVD en de PvdA) vertegenwoordigden, maakte snel beleid voor de ontginning van gasvelden, de belastingheffing op het gewonnen gas, en de aanleg van infrastructuur naar de huishoudens.

Volgens In ’t Veld zou er nu weer zo’n commissie ingesteld moeten worden, met gezaghebbende personen die geen banden hebben met de energiesector. De commissie zou een ruim budget moeten hebben, en voldoende invloed. „Anders komt er van de gewenste omslag nog niks”, zegt In ’t Veld.

Mocht zo’n commissie er niet komen, en blijft ook een wet voor de duurzaamheid uit, dan kan Nederland als alternatief zijn beleid afstemmen op dat van zijn belangrijkste handelspartner, Duitsland.

In ’t Veld geeft toe dat energiebeleid nu lastiger is dan veertig jaar geleden. De belangen zijn meer verdeeld. In Nederland is een richtingenstrijd gaande tussen aan de ene kant voorstanders van kernenergie en grote kapitaalintensieve projecten (gevestigde stroomproducenten als RWE, bedrijven als Corus en AkzoNobel, en het ministerie van EZ), en aan de andere kant voorstanders van decentrale, kleinschalige projecten (stroomleveranciers als Eneco en Greenchoice, het ministerie van VROM, en gemeenten).

Het nieuwe rechtse kabinet wil de bouw van een of meerdere kerncentrales mogelijk maken.