Sven

Ze stonden in een bakje tussen ander gekoeld fruit in de supermarkt. Aardbeien. Knalrood met die karakteristieke pitjes op de huid. Aardbeien in de laatste week van oktober. Dat moest ik niet doen. Ik gooide vier appels in de mand.

Natuurfreaks zweren bij ‘seizoensgebonden producten’. Boerenkool in de winter, asperges van eind april tot Sint Jan.

Gisteren had de NOS een hele middag ingeruimd voor schaatsen. Schaatsen op de laatste dag van oktober? Mijn gestel was nog geen halve dag gewend aan de wintertijd of ik moest al beelden trotseren van mannen en vrouwen op de ijsbaan.

Sven Kramer zat in de studio met een witte snoet aan tafel bij Mart Smeets en Dione de Graaff. Sven – buitencategorie topsporters spreken we aan met hun voornaam – maakte geen goede tijd door. Na vier jaar buffelen op en rond de schaatsbaan was hij ‘fysiek niet helemaal oké’.

Sven gaf korte antwoorden op de gestelde diagnose.

„Opgebrand? Nee, maar ik zit er tegenaan.”

„Roofbouw? Ja, misschien wel.”

Er stond een glas met een bodempje water voor zijn neus. Gelukkig. Sven had iets gedronken. Dione de Graaff keek alsof ze een zware defibrillator op schoot klaar had liggen. Arme Sven. Waar was de onoverwinnelijke halfgod gebleven die in de winter heerste op het ijs?

Sven was op. Ziek. Leeg. Kapot.

Hij had een schitterend colbert aan, maar eronder zat een wit T-shirt waarvan je zou kunnen denken dat hij er de afgelopen week in had geslapen. De sporter gaf toe dagenlang op de bank te hangen. Met tegenzin: „Ik hou van schaatsen, het is mijn leven.”

Ik heb een paar jaar terug bij een nazomerse training van Sven Kramer gestaan. In een achterafstraatje in Inzell deed hij oefeningen die ik met de dood zou moeten bekopen. Sven liep rood aan terwijl hij zich in het zweet werkte. Om vervolgens voorover gebogen te vechten tegen het zuur en de enorme hartslag. Waarom hij het deed? „Voor Sven Kramer”, antwoordde Sven.

Een topsporter moet egoïst zijn. Natuurlijk doe je het niet voor je land of je vriendin. Niks delen. Niet aardig zijn. Winnen, winnen,winnen.

Sven heeft (bijna) alles gewonnen in de afgelopen vier jaar. Zijn tegenstanders zijn tevreden met aanhaken bij hun grote voorbeeld. Sven wil niet verliezen in een onderling duel met zijn rivalen. Nooit. Daar zit de achilleshiel. Met verlies trek je het ventiel uit een te hard opgepompte band. Sven staat nagenoeg het hele jaar strak gespannen.

In de studio werden vluchtlijnen getrokken tussen de landen die de komende weken aangedaan worden door het schaatscircus. Van Nederland naar China, van China naar Amerika, van Canada naar Noorwegen. Je bent als schaatser het beste uit met een stewardess als vriendin.

Sven keek naar de wereldkaart en de daarop getekende vluchten. Hij greep de stoelleuning vast. Had hij dit al die jaren gereisd tussen oktober en april? Turbulentie in de studio.

Smeets vroeg wanneer we hem weer op het ijs zagen bij een wedstrijd. „Misschien bij het NK allround.” Smeets: „Dat is derde Kerstdag?” De schaatser knikte. Sven Kramer als seizoensgebonden arbeider pas in december op de schaatsvloer. Ik was tevreden. Je moet Sven niet eerder zien dan de ijsbloemen op de ramen. De kampioen had zijn lesje geleerd.

Aardbeien in de zomer, Sven Kramer in de winter.