Potash volgt Cadbury-scenario

Er zijn weinig overeenkomsten tussen mest en chocola. Maar het gevecht dat Potash Corp levert tegen het vijandige overnamebod van mijnbouwconcern BHP vertoont een treffende gelijkenis met de strijd die de Britse zoetwarenproducent Cadbury een jaar geleden vergeefs voerde tegen het Amerikaanse Kraft Foods. Tot de overeenkomsten behoren de afwezigheid van concurrerende bieders, veel politieke bemoeienis, en ongedurige aandeelhouders.

Net als BHP had Kraft zijn eerste bod rechtstreeks aan de aandeelhouders voorgelegd. Cadbury verwierp het bod, waarna de waarde van het bedrijf steeg tot boven het bedrag dat Kraft op tafel had gelegd. Vervolgens ontvouwde zich de gebruikelijke verdedigingsstrategie, waarbij Cadbury betoogde dat het bedrijf meer waard was, terwijl het bedrijf tegelijkertijd op zoek ging naar rivaliserende bieders.

Potash heeft het Cadbury-scenario gevolgd. Het concern wees BHP de deur, benadrukte zijn verdiensten en heeft zijn bankiers over de hele wereld laten speuren naar concurrerende biedingen. Maar net als Cadbury lijkt Potash niet door derden gered te worden.

De verdediging is in middels volledig politiek geworden. Saskatchewan, de Canadese provincie die ooit eigenaar was van Potash, heeft er bij de regering op aangedrongen het bod af te wijzen op grond van de Investment Canada Act, die eist dat buitenlandse investeringen het land een ‘netto voordeel’ opleveren. Dat heeft een koehandel in gang gezet.

Om de steun van Canada te verkrijgen, heeft BHP beloofd verliezen van een kaliproject in ontwikkeling niet te zullen gebruiken om zijn belastingverplichtingen omlaag te krijgen, en de nettoschuldenlast van Potash binnen de perken te houden om de provinciale financiën te helpen beschermen. Kraft deed destijds ook beloften, waarvan het concern er minstens één niet is nagekomen, ter geruststelling van Britse politici die zich zorgen maakten over de werkgelegenheidseffecten.

Canada kan het bod van BHP deze week nog steeds tegenhouden. Maar afgezien van politieke argumenten is moeilijk in te zien op welke gronden. Daardoor zou de beslissing uiteindelijk bij de aandeelhouders van Potash kunnen komen te liggen. De Cadbury-deal is ook in dit opzicht verhelderend. Het eerste bod van Kraft vertegenwoordigde een premie van 31 procent. Uiteindelijk bood Kraft echter 50 procent meer dan het bedrijf waard was.

Het eerste bod van BHP op Potash hield een premie in van 16 procent. Om de stijging van het bod van Kraft te evenaren, zou BHP zo’n 155 dollar per aandeel moeten bieden, zo’n 6 procent bovenop de huidige beurskoers. De vraag is of BHP dit tegenover zijn eigen aandeelhouders kan rechtvaardigen. Dat biedt de Canadezen nog een laatste sprankje hoop.

Rob Cox

Vertaling Menno Grootveld