Mulisch gaf ons zuurstof

Harry Mulisch was behalve een briljant schrijver ook een buitengewoon geëngageerd literator.

Hij schreef in 1966 al over „een ruk naar rechts”.

Zelden was het tintelende gevoel van het aanbreken van een nieuwe tijd zo tastbaar als in de voorzomer van 1969. Bezettingsacties, demonstraties, relletjes. In Carré liep het storm voor de opera Reconstructie. Met rijkssubsidie en de katholieke minister van Cultuur Marga Klompé op de eerste rij bestormde de culturele avantgarde, Harry Mulisch voorop, de barricaden.

Fysiek heeft Mulisch nooit op de barricaden gestaan, smalend werd hem door Reve verweten als ‘gemotoriseerde voyeur’ de rellen in zijn sportauto gade te slaan. Toch was hij de verpersoonlijking van de bevrijdingsroes van de jaren zestig, het toonbeeld van de geëngageerde intellectueel. Hij was een medevormgever van zijn tijd, waar zijn werk deel van uitmaakt en invloed op uitoefent.

In het publieke debat speelde Mulisch in Nederland een rol die vergelijkbaar is met die van een filosoof als Sartre in Frankrijk of schrijvers als Böll en Grass in Duitsland. Hij beperkte zich niet tot romans en gedichten, maar deed ook in non-fictie verslag van zijn tijd en koos positie tegen restauratie en Koude-Oorlogsdenken.

Het had geen zin, vond Mulisch, om te spreken over de ‘boodschap’ van de schrijver. „Een schrijver mag niets te zeggen hebben. Nooit heeft een schrijver een ‘boodschap’ gehad”, noteerde hij in Voer voor psychologen (1961). In zijn dankwoord bij de uitreiking van de P.C. Hooftprijs in 1979 dacht hij er nog net zo over: „Als schrijver moet de schrijver afzijdig zijn, zelfs al schrijft hij nog zo geëngageerd.”

Een schrijver heeft alleen woorden. Tijdens de protesten begin jaren tachtig tegen de atoombewapening riep Mulisch alle schrijvers op de politici hún woorden af te pakken: „Wij moeten hen sprakeloos maken door hun taal te bederven, de pest onder de leden van hun woorden aan het daglicht brengen”, want de voorstanders van atoomraketten streefden naar de „eindoplossing van het mensenprobleem, een mondiaal Auschwitz”.

Het engagement van Mulisch dateert niet van de jaren zestig of zeventig. Zijn vroegste werk is al doortrokken van sociale ‘beweging’, waarmee hij wisselwerking tussen verbeelding en werkelijkheid bedoelde. Zijn romans zijn geen weergave van de sociale werkelijkheid, maar spiegels die de ‘versierde mens’ zichzelf voorhoudt. De versierde mens is een oorlogsmachine: „wijdbeens en met zijn gezicht naar het oosten staand op een ontbindend monster met wolfsogen en christushanden, een ruimte voor zijn ogen en een landkaart onder zijn schedeldak, onzichtbaar geworden onder de wapens en werktuigen van zijn diepe geloof, een brullende boom van licht, een brandstapelgod.” (De versierde mens, 1957).

Mulisch wenste een scherp onderscheid te blijven maken tussen goed en fout in de Tweede Wereldoorlog. „Het was niet één pot nat, zoals de slechten op zeker ogenblik altijd zullen beweren. Het fascisme is en blijft de aartsvijand van de mens, ook en vooral in de fascist zelf”, schreef hij in De toekomst van gisteren. Protocol van een schrijverij (1972). In dit boek reflecteerde hij op een nooit tot stand gekomen roman met dezelfde titel, waarin het duizendjarige rijk zou hebben gezegevierd. Maar omdat dit gelijk staat aan vernietiging, had de roman zichzelf vernietigd. Het was zijn diepste overtuiging dat de Tweede Wereldoorlog tot het einde der tijden een moreel en politiek oriëntatiepunt zou blijven. „En wie zegt dat wij eindelijk eens moeten ophouden over die oorlog, die moeten wij scherp in de gaten houden.”

In 1953 tekende hij protest aan tegen het regeringsbesluit de Vijfde Mei als nationale feestdag af te schaffen. Mulisch bracht dit in verband met de Koude Oorlog, die hij beschreef als „het bewust gemanipuleerde proces, waarin het fascisme en de Tweede Wereldoorlog verdrongen moesten worden door een heksenjacht tegen de communisten, de meest wezenlijke vijanden van het fascisme”. Een hele generatie raakte daardoor volgens hem afgestompt.

Mulisch’ eigen generatie werd volgens hem „in een politiek coma gemanipuleerd” en bracht de autoriteiten voort die in de jaren zestig en zeventig de dienst uitmaakten, „de psychisch gesneuvelden van de Koude Oorlog, opeengestapeld in het massagraf van de reactie”.

Daartegen ging de opstand. Met Provo ging in 1966 het raam op een kier naar een andere wereld, zo was de strekking van Bericht aan de rattenkoning (1966), een aanklacht tegen het regentendom: „De kastenstrijd woedde plotseling op alle fronten. Er was een ruk naar rechts en er was een ruk naar links, maar omdat Nederland een paternalistisch verziekte gemeenschap is, betekende dit in de praktijk uitsluitend een ruk naar rechts.”

Het jaar daarop zag hij vol bewondering de werking van de Cubaanse revolutie. Het nieuwe Cuba werd door hem ervaren als ‘een hele samenleving in de frisse lucht’. Het Parijs van mei 1968 bevestigde de opluchting. „In die jaren gebeurde er in West-Europa op één dag meer dan in de voorafgaande twintig jaren van de Koude Oorlog bij elkaar. Wat een verademing! Eindelijk werd de naoorlogse restauratie van de vooroorlogse, prefascistische verhoudingen aangetast.”

Mulisch beschouwde zijn werk over actuele thema’s niet als een verslag, maar als onderdeel van de gebeurtenissen. Als verslaggever voor Elseviers Weekblad volgde hij in Israël het Eichmann-proces, wat zijn neerslag vond in De zaak 40/61, een boek dat het denken van de babyboomers over de scheidslijnen tussen ‘goed’ en ‘fout’ diepgaand heeft beïnvloed. Babyboomer Pim Fortuyn sprak een jaar voor hij werd vermoord als grootste wens uit met de grandeur van Harry Mulisch in de politiek te kunnen staan.

De rol van Mulisch als publieke intellectueel kreeg het scherpst gestalte in zijn ‘nieuwe journalistiek’, die het midden houdt tussen reportage, politiek essay en literatuur. Zijn bewondering voor de Cubaanse revolutie kwam hem later op veel kritiek te staan toen hij weigerde Cubaanse dissidenten zoals de dichter Padilla te steunen tegen het despotisme van Fidel Castro.

Mulisch bleef hangen in het zwart-wit-denken van de Koude Oorlog. Hij besefte niet dat iemand die Castro heeft omarmd, meer dan een ander de plicht heeft zich over het diskrediet van diens regime uit te spreken. „De mensen die indertijd tégen Castro waren hadden ongelijk, zo gaat dat in de geschiedenis. De uitgangspunten van de Cubaanse revolutie waren positief”, zei hij in 2006 nog.

Maar Mulisch’ onmacht om ook eens zijn historisch ongelijk te bekennen, weegt niet op tegen de inspiratie die van zijn grensverleggende engagement uitging: toen Nederland dreigde te stikken van benauwenis heeft hij het van zuurstof voorzien, en complete generaties van adem.