Mulisch, een fenomeen

Het is nu al een onwennige gedachte: Harry Mulisch is er niet meer.

Harry Mulisch was de schrijver die, in gesprek met NRC Handelsblad ooit zei: „Kijk, waar ik kom, begint de zon te schijnen” en daarmee niet eens zo sterk overdreef. Want niet alleen was hij auteur van verlichte en verlichtende romans, hij was ook veel te zien op de televisie, als gast op allerlei feesten, recepties en theater- en filmpremières.

Het Boekenbal is eigenlijk ondenkbaar zonder hem en zijn quotes, provocerend met theorieën van de kouwe grond.

Harry Mulisch was de Nederlandse literatuur in persoon. Van de Grote Drie maakte hij de Grote Eén: Willem Frederik Hermans en Gerard Reve dirigeerde hij, unverfroren zeker van zijn eigen talent, zonder pardon naar een gedeelde tweede plaats.

Al jong bestendigde Mulisch zijn status in de literatuur. Hij belichaamde de doorsnee-ideeën die in Nederland heersen over een schrijver.

Hij werd arrogant gevonden, elitair, ijdel. Hij gooide er nog een schepje bovenop en wakkerde dat vuurtje vrolijk aan. Hij poseerde als een liefhebber van vrouwen c.q. als hun lieveling.

Hij trok uitdagend een grens tussen hemzelf en het publiek: „Ik lees net zomin romans als lezers er een schrijven.”

Nederland roddelde en kon zijn ogen niet van hem afhouden. En de tienduizenden die hem ook lazen, moesten toegeven dat hij een schrijver was die volledig voldeed aan al die eigendunk.

Want bij alle bombarie schreef Mulisch onaantastbaar mooie boeken waarmee hij zich liet kennen als een volksschrijver. Niet in sentimentele zin, zoals zijn hartsvijand Gerard Reve. Maar door de schrijver te zijn die de ontwikkelingen van de Nederlandse moderniteit met een boek begeleidde.

Zo sporen Het stenen bruidsbed en later De aanslag en Siegfried met verschillende stadia van de verwerking van de Tweede Wereldoorlog in de Nederlandse samenleving. In zijn libretto (samen met Hugo Claus) voor de opera Reconstructie weerklonken de revolutionaire jaren zestig, in Bericht aan de rattenkoning de Amsterdamse provotijd in dezelfde jaren en in Twee vrouwen de seksuele revolutie.

De beroemdste sage over Mulisch speelt zich af in café Americain aan het Leidseplein in Amsterdam. Daar werd zijn naam naar verluidt erg vaak omgeroepen omdat er telefoon voor hem was. Omgeroepen worden betekende opstaan en je naar een van de houten telefooncellen bij de portier begeven – door iedereen nagestaard, terwijl het gonsde: dát is nou Harry Mulisch.

Het verhaal beduidt nu dat Mulisch bij leven al een deel van de voltooid verleden tijd was, een mythe uit de dagen van vóór de mobiele telefoon en van vóór de instant televisiebekendheid. Een levende legende.

Die legende zal groeien, de anekdotes zullen bloeien.

Maar Nederland is nu leger, zonder zijn ideale schrijver die wist wat een schrijver te doen stond, naast het schrijven van mooie boeken.

Niet alleen het literaire Nederland zal hem gaan missen, ook het Nederland dat zijn schrijvers graag ziet schitteren.