KRITIEK

‘Toen ik 10 jaar was, stond het voor mij vast dat ik een groot man – niet zou wòrden, maar reeds sinds tien jaren wàs’, schreef de jeugdige Harry op 10 juni 1953 aan criticus Jan Greshoff, die in Het Vaderland Mulisch’ debuutroman Archibald Strohalm lovend besproken had. ‘Er schuilt in Mulisch iets van het wonderkind,’ had de grand old man (64) van de literaire kritiek geschreven; en: ‘Ik ga zover, dat ik zelfs de duidelijk overbodige bladzijden [...] toch niet zou willen missen.’ Die laatste opmerking verleidde Mulisch tot zijn brief aan Greshoff. ‘Juist in dìt boek’, schreef hij, ‘zijn de mislukte passages minstens even funktioneel (in hun misluktheid welteverstaan) als de geslaagde.’

Waarna hij zichzelf spiegelde aan Heinrich Schliemann, de man die zich als kind voornam om Troje op te graven, en die de eerste helft van zijn leven eraan besteedde om dat mogelijk te maken. „Alles wat ik schrijf [...] is niets anders dan het rijk worden voor de beslissende opgraving.”