Hij verbond het heden met het hogere

Als geen ander schreef Mulisch boeken die vertolkten wat er in Nederland leefde. Eigenlijk is dat een wonder, gelet op het esoterische karakter van zijn drijfveren.

Harry Mulisch in 2007. Foto Bas Czerwinski FILE - Dutch author Harry Mulisch poses for photographer in Amsterdam, The Netherlands, in this March 12, 2007 file photo. Mulisch, who turned his experiences as the son of a Jewish mother and a Nazi collaborator into some of the Netherlands' most renowned works of fiction, died Saturday Oct. 30, 2010. He was 83 and had cancer. (AP Photo/Bas Czerwinski) AP

De Nederlandse literatuur zonder Harry Mulisch is als een kerk zonder toren, een land zonder hoofdstad, een cirkel zonder middelpunt. De biograaf van Mulisch krijgt het moeilijk. Niet omdat er te weinig stof is, er is juist zo ontzettend veel. Zijn levensgeschiedenis zal ook een geschiedenis van de Nederlandse literatuur sinds de Tweede Wereldoorlog moeten worden. Meer nog dan Hermans en Reve, met wie hij lange tijd ‘de grote drie’ vormde, is Mulisch die literatuur gaan belichamen. Zelfs wie nooit een boek leest, weet bij het zien van Mulisch’ gesoigneerde gestalte, zijn karakteristieke neus met pal daaronder – tot zeer onlangs – zijn pijp: dat is een schrijver. Of liever: dat is De Schrijver.

Mulisch had er geen moeite mee. Hij bewoog zich met groot gemak in de mediawereld (daar krijgt de literatuur tegenwoordig haar publieke gezicht), zonder dat ooit onduidelijkheid kon ontstaan over de verhoudingen. De televisie maakte geen gebruik van Harry Mulisch, het was andersom. Het beeldscherm werd nooit meer dan een vanzelfsprekende uitbreiding van hemzelf.

Mulisch heeft eens geschreven: ‘Ik ben de Tweede Wereldoorlog’, omdat zijn moeder van joodse afkomst was en zijn vader met de Duitse bezetter had gecollaboreerd. Toch zou hij, denk ik, nooit hebben gezegd: ‘Ik ben de Nederlandse literatuur’. Daarvoor was zijn ‘schrijverij’, zoals hij het zelf bijna badinerend placht te noemen, te vreemd en uitzonderlijk, het resultaat van invloeden en geestesstromen die hun oorsprong niet in Nederland vinden, maar elders, in het oude Griekenland, in Egypte en in Midden-Europa, waar zijn ouders vandaan kwamen. Dat hij in Nederland toch de schrijver bij uitstek heeft kunnen worden, zegt veel over zijn kwaliteiten.

Sommigen verweten hem zijn arrogantie. Nu is arrogantie geen slechte eigenschap voor een schrijver, maar wat meestal over het hoofd werd gezien is het spel dat Mulisch ermee speelde. Eenvoudig is het ook niet: Mulisch speelde de Grote Schrijver en hij was het. Zie de prachtige brief die hij in 1953 naar aanleiding van zijn romandebuut archibald strohalm aan de criticus Jan Greshoff schreef en die vorig jaar opdook op de achterpagina van deze krant. Een citaat van de debutant: ‘Toen ik 10 jaar was, stond het voor mij vast dat ik een groot man – niet zou wórden, maar reeds sinds tien jaren wàs. Ik zocht dit toen op het gebied der aviatiek waar te maken, later ontwierp ik een zelf-kloppende hamer, weer later verrichtte ik onderzoekingen inzake het geelworden van groene bladeren in de herfst, misschien de dood indachtig, maar tenslotte begon ik dan toch te schrijven…’

Greshoff vond de brief ‘aanmatigend en aanstellerig’ – ziedaar het misverstand tussen Mulisch en Nederland. Maar tot blijvende distantie heeft het niet geleid, integendeel. Misschien heeft de ‘religieuze’ inslag van zijn werk daarbij geholpen, al komen we bij Mulisch bepaald niet de god van Calvijn tegen. Er is zelfs helemaal geen god; het religieuze zit in de hang naar hermetisme, profetendom, neoplatonisme, apocalyps, heilsverwachtingen. In zijn vroege werk (archibald strohalm, Het zwarte licht, De versierde mens, Het stenen bruidsbed en niet te vergeten zijn eerste toneelstuk Tanchelijn over een laat-middeleeuwse ketter) leidde dat tot geheimzinnig, raadselachtig proza, fantastisch en diepzinnig tegelijk. Hoezeer het hem menens was, bleek pas jaren later, in zijn filosofische magnum opus De compositie van de wereld.

De paradox, die ook in zijn ironische spel met de arrogantie meedoet, werd daar het fundament van de hele werkelijkheid, Mulisch’ werkelijkheid, die we overal tegenkomen in zijn romans en verhalen. In zijn oeuvre regeert een ijzeren consistentie, het bewijs van zijn originaliteit. Daarvan getuigt ook de briljante autobiografie Voer voor psychologen, die het programma bevat van zijn schrijverschap: een terugblik op de afgelegde weg en een vooruitzicht op wat er nog aan zat te komen. Het is misschien wel zijn meest complete boek, heel toepasselijk bestaande uit fragmenten, en het bevat bovendien de meest ontroerende passages (over het sterfbed van zijn vader en het afscheid van zijn moeder) die Mulisch ooit geschreven heeft.

Wel veranderde gaandeweg de stijl. Tot de jaren zestig schreef Mulisch cryptisch, bezwerend, duister, unheimlich; halverwege de jaren zeventig krijgt zijn stijl een klassieke rust en beheersing, in voor een groot publiek toegankelijke romans en verhalen als Twee vrouwen, Oude lucht, De aanslag, Hoogste tijd, De pupil, De elementen, De ontdekking van de hemel, De procedure, Siegfried. Het wereldbeeld bleef hetzelfde, de greep van de meester was feilloos geworden.

Daartussen zit een lange periode van overgang, de jaren zestig en de eerste helft van de jaren zeventig, de tijd van het politieke engagement. Dat begon met het proces tegen Eichmann, waarover Mulisch een van zijn allerbeste essays schreef (De zaak 40/61) en vond een vervolg in Bericht aan de rattenkoning en Het woord bij de daad, over de ‘culturele revolutie’ van die dagen, respectievelijk in Amsterdam en op Cuba.

Het strikt literaire werk lag even stil, andere dingen eisten de aandacht op, maar midden in deze periode schreef Mulisch ook zijn meest bizarre, meest experimentele roman De verteller. Alle remmen lijken te zijn losgegooid in deze aanvankelijk door bijna iedereen miskende roman. Niemand kon bevroeden dat het latere meesterschap zich hier al aandiende. Achteraf wordt dat duidelijk uit De verteller verteld, het commentaar dat Mulisch schreef uit ergernis om al het onbegrip. Zijn boek bleek geen woest experiment of spontane gemoedsuitbarsting, het was een ‘maniëristisch’ kunstwerk, speels en kunstig, zoals Piet Meeuse ooit aantoonde in een knap essay. Een oefening, hoe onorthodox ook, in literair meesterschap.

Het politieke engagement, vooral zijn kritiekloze bewondering voor Fidel Castro, is Mulisch lang nagedragen.

Hoe had hij zo naïef kunnen zijn? Naïef was hij in dit opzicht zeker, zoals zoveel tijdgenoten. Op Cuba meende hij de anti-Eichmann te hebben gevonden, in de gedaante van de Cubaanse Nieuwe Mens. Het geloof daarin tekent zijn behoefte om ergens in te kunnen geloven en niet aan wanhoop ten prooi te vallen na een halve eeuw van Europese verschrikkingen. En het tekent Mulisch’ behoefte om zijn werk historisch en maatschappelijk te verankeren. Al in Voer voor psychologen lezen we over de ‘elementaire beweging’ tussen zijn verhalen en de werkelijkheid of liever de tijdgeest, want met realisme heeft dit alles niets te maken. Het gaat om een extreme ontvankelijkheid voor de wereld om hem heen, die hij als een spons in zich opzoog en daarna als kunstenaar of alchemist veranderde in iets nieuws en iets eigens.

Mulisch’ inzet voor Provo en Cuba had wel wat van zo’n ‘elementaire beweging’; zij hield alleen op ‘elementair’ te zijn en werd zelfbewust en uitgesproken. Na 1975 was het weer voorbij. „De oorlog (in Vietnam) is over, we kunnen elkaar weer verhaaltjes gaan vertellen”, zei Mulisch laconiek en hij kwam met Twee vrouwen (en voor een veel kleiner publiek: met poëzie). De politieke en maatschappelijke betrokkenheid verdween niet, maar werd weer een van de elementen van zijn werk, zoals het verzet tegen kruisraketten in De aanslag of de bespiegelingen over de vaderlandse politiek in De ontdekking van de hemel, dat ook een ironische terugblik op het engagement van de jaren zestig bevat.

Mede dankzij deze ‘elementaire’ binding met geschiedenis en actualiteit was Mulisch in staat boeken te schrijven die vertolkten wat er in Nederland leefde. Eigenlijk is dat een wonder, gelet op het particuliere, ja ronduit esoterische karakter van zijn diepere drijfveren en motieven. Virtuoos wist Mulisch het een met het ander te verbinden.

Een roman als De aanslag is zowel een geconcentreerde versie van de Nederlandse geschiedenis tijdens en na de bezetting als een verkenning van typisch Mulischiaanse ondergrondse obsessies (het voorbestemde toeval: de ‘eeuwigheid’, die in de gedaante van een paar prehistorische hagedissen de geschiedenis beïnvloedt), samengebracht in één spannend verhaal. In De ontdekking van de hemel gaat het zelfs om de hele moderne westerse geschiedenis, met het vergrootglas gericht op Nederland, maar het succes van deze ‘totaalroman’ in het buitenland toont aan dat men het daar eveneens begreep.

Hoezeer Harry Mulisch in Nederland ook De Schrijver is geworden, uiteindelijk ontglipt hij ons. Zijn thuis is niet in ons midden. Het zou misschien het heelal moeten zijn, maar helaas, het heelal ligt buiten het menselijk bereik. Vandaar dat Mulisch hier – nu eens ondubbelzinnig bescheiden – genoegen nam met slechts een asteroïde die naar hem werd vernoemd. Noemen we dat heelal echter de ‘macrokosmos’, dan kunnen we er via een omweg alsnog bij. Die omweg heet de ‘microkosmos’, het spiegelbeeld in het klein van de macrokosmos. Voor Harry Mulisch was het heel gewoon om in dit soort termen, afkomstig uit de neoplatoonse traditie, te denken, ze horen bij zijn esoterische onderwereld – hoeveel verzonken gebieden van de geest heeft hij niet geconserveerd door ze opnieuw te gebruiken.

De herkomst van die microkosmos (waaronder we natuurlijk zijn oeuvre moeten verstaan, het ‘tweede lichaam van de schrijver’) heeft hij ooit aangewezen in een klein maar curieus geschrift, dat Het zevende land heet. Het was de enige plek ter wereld die hij als ‘zijn’ land wenste te beschouwen: niet de wereld, niet Europa, niet Nederland, niet Haarlem (zijn geboorteplaats), zelfs niet Amsterdam, maar het metafysische voorgeborchte, het ‘Platoonse Iets’, waar zijn boeken zich ophielden voordat ze werden geschreven.

Wij gewone stervelingen hebben daar geen toegang, wij lezen de boeken en behelpen ons met wat nog het dichtst bij dat geheimzinnige ‘Iets’ in de buurt komt: Mulisch’ werkkamer, zijn op één na meest eigen ‘land’. Een ordelijke, smaakvol ingerichte ruimte, waar alles een vaste plaats heeft die al eeuwen geleden lijkt te zijn beslist. Een indrukwekkender werkplek heb ik nooit gezien, juist omdat er van arbeid niets is te merken. Behalve dan in de kasten en laden, waar de manuscripten zijn opgeborgen, keurig geordend in mappen en dozen, met alle aantekeningen, alle schema’s, alle varianten.

Slechts één beeld dringt zich hierbij op: dat van het oog van een orkaan, de orkaan die Mulisch heet en die nu voorgoed is uitgewoed. Ik kan het me nog nauwelijks voorstellen, maar de gevolgen ervan zijn zodanig dat we ons er nog heel lang mee zullen bezighouden.

    • Arnold Heumakers