Haat en nijd

‘De Grote Drie’ van de Nederlandse literatuur gedroegen zich, als ze onderling ruzie maakten, nogal eens als ‘De Kleine Drie’. Dat heeft me vaak gefrappeerd. Aanvankelijk hadden ze wel respect voor elkaars werk – vooral Hermans en Reve – maar op den duur restte er weinig meer dan haat en nijd. Hermans noemde Reve ‘een clown’, Reve pestte Hermans met het feit dat zijn boeken beter verkochten.

Het enige wat Hermans en Reve nog leek te binden, was hun afkeer van Mulisch.

Misschien omdat die, vooral internationaal, uiteindelijk meer succes had dan zij? Met name voor Hermans is het uitblijven van internationale waardering dé grote frustratie van zijn literaire loopbaan geworden.

Hermans schold Mulisch uit voor ‘kale opschepper’ en wees erop dat Mulisch een poging van de gemeente Amsterdam om hem in de ban te doen, had gesteund. Reve had het herhaaldelijk over ‘Mulles vulles’ en noemde hem „een groot, groot schrijver als ik hem maar niet hoef te lezen”.

Mulisch gedroeg zich doorgaans het mildst. Hij incasseerde de beledigingen met een meewarig schouderophalen en ging weer aan het werk. Ik heb die houding altijd bewonderd, want hoe makkelijk was het wel niet voor hem geweest om steeds terug te slaan? Hij had zoveel toegang tot de media als hij maar wilde.

In de richting van Reve heeft hij één keer teruggeslagen – en toen was het ook meteen raak. In het essay Het ironische van de ironie uit de bundel Paniek der onschuld laat hij zien, dat het werk van Reve racistische trekken heeft die door de ironie worden verdoezeld.

„Moeten wij werkelijk op een volgende massaker wachten, eer wij mogen zeggen, dat Van het Reve heeft meegeholpen de sfeer van agressief provincialisme en vreemdelingenhaat te scheppen?” schreef hij in 1972. Drie jaar later stelde hij vast: „Wat mij uiteraard niet heeft verbaasd, is dat Van het Reve nooit geantwoord heeft, want dat kan hij niet.”

Dit essay is het belangrijkste literaire document dat de gespannen verhoudingen tussen deze Grote Drie heeft opgeleverd.

Zeer interessant is ook het twistgesprek tussen Hermans en Mulisch onder de titel ‘Wat moet een schrijver doen?’ in het HP-magazine van 26 november 1969.

Hier kun je zien hoezeer Hermans en Mulisch fundamenteel van elkaar verschilden in hun wereld- en mensbeeld. Het optimisme van Mulisch botst met de realiteitszin van Hermans. Je kunt ook zeggen: naïviteit contra cynisme. Ik sluit af met deze cruciale passage:

Mulisch: „Als je mij vraagt, wat vind je belangrijker, de industriële revolutie of de Franse, dan zeg ik de Franse Revolutie. Die had niets te maken met machines of wetenschap. Ik vind het belangrijker hoe de mensen tegenover elkaar staan en hoe ze met mekaar verder door het leven willen, dan de uitvinding van zo’n geweldige machine.”

Hermans: „Maar dat komt doordat jij de zaken niet goed ziet. De Franse Revolutie is mogelijk geweest doordat er toen al een begin van een industriële revolutie aan de gang was. Volgens mij is het zó: dat alle maatschappelijke veranderingen voortkomen uit de technologische ontwikkeling. Alles wat de revolutionairen – echte alfa-mensen overigens – daaraan toevoegen is: veel meer ellende en bloedvergieten, veel meer verkwisting van mensen en materiaal.”