Geef echte argumenten aan Chersonissos

Ik las iets over Paul de Leeuw. En dat las ik in een stukje van Beau van Erven Dorens. En dat stukje las ik in de hal van een gesprekscentrum, waar ik zat om naar een bijeenkomst van filosofen te gaan. Zodat de dag per slot van rekening toch nog heel deftig eindigde.

Wat ik las, bleek alweer oud nieuws. Weken geleden had Paul de Leeuw aangekondigd te stoppen met Twitter. „Als je op Twitter iets zegt, dan zeggen ze toch: ‘Het is niet waar.’ Dus ik dacht: ik stop met die hele meuk. Ik heb bij Twitter ‘delete account’ gedaan en bij Hyves ook. Ik heb geen contact meer met mijn achterban, maar het geeft het niet.” (sic)

Helemaal ongebruikelijk was deze manoeuvre niet. Felle reacties leiden er vaker toe dat mensen achteruitdeinzen; ofwel door helemaal te stoppen met optreden in het openbaar, ofwel door in de innere Emigration te gaan, zich emotioneel terug te trekken en de slotbrug op te halen. Het is doodvermoeiend als anderen stelselmatig je motieven in twijfel trekken, en je kunt je niet blijven verweren tegen het verwijt dat je liegt.

Al die kritiek mag dus ooit bedoeld zijn geweest om de onwaarheid te ontmantelen en de waarheid te achterhalen, maar ze heeft het tegenovergestelde effect. Hoe kritischer het gesprek, hoe minder open en flexibel. De geplaagde televisiesterren, politici en wetenschappers maken pas op de plaats en zoeken bevestiging bij elkaar. „Ik heb geen contact meer met mijn achterban, maar het geeft het niet.”

Dat kritiek zichzelf op deze manier in de wielen rijdt, is een constatering die al eerder werd gedaan door wetenschapstheoretici, op terreinen waar kritiek heel plechtig ‘critique’ heet en tot doel heeft de belangen te ontmaskeren die schuilgaan achter ideologieën en theorieën. Aanvankelijk was deze critique dus doordrenkt van de geest van vooruitgang en gerechtigheid; maar die vooruitgang liet nogal op zich wachten.

Het bleek dat mensen niet ijveriger streven naar een sociaal rechtvaardige maatschappij als je ze aanzet tot het ontmaskeren van belangen; integendeel, ze worden alleen maar bevestigd in hun overtuiging dat de boel niet klopt. Dat er duistere machten aan het werk zijn waartegen een gewoon mens niet is opgewassen. Het gevoel van dreiging wordt nog versterkt door de paradoxale ontwikkeling dat kritisch denken zelf een product wordt als alle andere, uitgevent door mensen die er belang bij hebben.

Het was vooral het klimaatdebat dat een paar jaar geleden overal tot dit soort conclusies aanleiding gaf. Bruno Latour, ooit als een van de eersten op zoek naar machtsrelaties in de wetenschap, vroeg zich nu af: „Heb ik er verkeerd aan gedaan mee te werken aan de oprichting van het vakgebied dat bekend staat als wetenschapsstudies?” In het artikel Why Has Critique Run out of Steam? gaf hij een schuldbewuste kritiek op de kritiek.

De ‘social critique’ lijkt verdraaid veel op complottheorie, schreef Latour. Beide leren je met wantrouwen te luisteren naar alles wat mensen zeggen, omdat ‘we natuurlijk allemaal weten’ dat ze niet duidelijk zijn over hun eigenlijke motieven. Hele studieprogramma’s worden in de lucht gehouden om brave studenten ervan te doordringen dat feiten een sociale constructie zijn, en intussen gebruiken gevaarlijke extremisten dit argument om wetenschappelijk bewijs te torpederen dat onze levens zou kunnen redden. „Natuurlijk bieden complottheorieën een absurde deformatie van onze eigen argumenten, maar zoals wapens die over een vage grens worden gesmokkeld naar de verkeerde partij, zijn ze niettemin onze wapens. Ondanks alle vervormingen kun je, gebrand in het staal, nog steeds ons keurmerk herkennen: MADE IN CRITICALLAND.”

Sinds deze tournure van Latour, en van alle anderen die waren geschrokken van de krachten die ze hadden ontketend, nam men alom afscheid van Criticalland. Feiten werden in ere hersteld, de klimaatrapporten werden in verdediging genomen tegen complotdenkers, hier en daar zag je voorzichtig een waarheidsclaim opdoemen en Paul de Leeuw sloot zijn Twitteraccount. Eind goed, al goed, zou je kunnen zeggen. Maar toch.

Criticalland was er natuurlijk niet voor niets. Voordat het mis ging, en de hele exercitie in wantrouwen en paranoia uiteen spatte, had kritiek toch vooral tot doel het gesprek opener en democratischer te maken. Je had gehoopt dat althans die doelstelling overeind zou blijven na de ommezwaai en het afscheid van Criticalland. Maar helaas zie je dat de rijen zich weer beginnen te sluiten. Mooi voorbeeld was de discussie over elitekunst van de laatste weken.

Als de hoge cultuur werkelijk – ‘echt’ – van waarde is, en niet alleen maar een speelbal in de handen van belangenbehartigers, zou je verwachten dat de elite een badpak zou aantrekken en die waarde zou gaan uitdragen op de stranden van Chersonissos. Maar het tegenovergestelde gebeurde: de elitekunst werd vooral ingezet om het bestaan van de elite te bevestigen. Er kwam een groot hek om de cultuur; de kritiek werd niet gepareerd, maar ge-delete. „We hebben geen contact meer met onze achterban, maar het geeft het niet.”

Ooit, in hetzelfde nummer van de Critical Inquiry waarin Bruno Latour afscheid nam van de ‘critique’, schreef de filosoof Slavoj Zizek kritisch over een cultuur die zichzelf aanprijst met termen als diversiteit, creativiteit en verruiming van begrippen.

„Is the practice of fist-fucking not the exemplary case”, schreef hij, van de verruiming van begrippen? Ik denk het niet, maar met die filosofische vraag zou de elite best eens het hoognodige gesprek kunnen gaan openen op de stranden van Chersonissos.