FAUST

Een alchemist placht Mulisch zichzelf te noemen, iemand die goud uit stof maakt. Vandaar zijn belangstelling – in onder andere de AKO-prijswinnende roman De procedure – voor biochemische experimenten en de joodse kabbala; vandaar zijn fascinatie voor Faust, de hoofdpersoon van twee Goethe-toneelstukken die hij met de paplepel van zijn Oostenrijkse vader ingegoten kreeg. Mulisch’ magnum opus, De ontdekking van de hemel (1992), wordt zelfs geregeerd door het typisch faustiaanse thema van de mens die krachten ontketent die hij niet kan beheersen. „Faust is de mens van de grote greep”, zei Mulisch twee jaar geleden. „Hij is niet te vergelijken met de meeste nationale figuren uit andere culturen. Welke literaire figuur typeert Frankrijk? Candide? Cyrano de Bergerac? Maigret? Die zijn allemaal uit ander hout dan Faust gesneden. Spanje heeft Don Quichot, een fantastische figuur, maar geen Faust. En Nederland? Ik heb wel eens betoogd dat het verschil tussen Nederland en Duitsland eeuwenlang dat tussen Uilenspiegel en Faust was. In Nederland heeft alles de neiging om te eindigen in de slappe lach. Soms is dat maar goed ook; terwijl je hier Provo en de anti-rookmagiër had, liepen in Duitsland de terroristen van de RAF rond.”