Een Duitse huishoudster

Het klinkt altijd erg pathetisch om, als iemand dood gaat, van ‘het einde van een tijdperk’ te spreken, maar toch is het nu zo. De ‘grote vier’, Reve, Hermans, Wolkers en Mulisch zijn allemaal dood. Mulisch, de man van het debat, die wát hij ook zei, altijd leek te hopen dat iemand er op een interessante manier anders over zou denken, die zich altijd, welke onbenul hem ook interviewde, inzette om er tóch iets interessants van te maken, is er nu ook niet meer.

Ik pakte meteen een boek van hem uit de kast, het werd per ongeluk De Aanslag. Wat vergeet je toch altijd veel van boeken. Je zou echt veel beter gewoon duizend boeken kunnen hebben en die steeds weer overlezen, dan drong je nog eens ergens in door. Dat de vader van de kleine Anton classicus was en in het eerste hoofdstuk verrukt spreekt over een zin van Homerus, over het werkwoord ‘symballo’ en over de tweevoudsvorm die in die zin gebruikt wordt, dat was ik glad vergeten.

Ik merkte dat ik er even van schrok – zo elitair! Alsof er nu ergens staat dat dat verboden is, verboden zou moeten zijn. Toch is De Aanslag door honderdduizenden mensen gelezen. Met die ene zin, die ik altijd heb onthouden, al is hij heel simpel: „Wie het gedaan heeft, heeft het gedaan.” Het gaat over wraak en vergelding. De Duitsers hebben het huis van Antons ouders in brand gestoken, omdat er voor hun deur door het verzet een politieman was neergeschoten. En degene die dat heeft gedaan zegt die zin tegen Anton. De Duitsers hebben jullie huis in brand gestoken. Niet het verzet. Het is een zin waar je lang over na kunt denken. Hij is verhelderend, al geeft hij niet altijd de goede uitkomst.

Natuurlijk hoopte ik ook, men heeft een kookrubriek of niet, dat ik toch, al herinnerde ik me daar niets van, een gedenkwaardige maaltijd zou aantreffen in dat boek. Maar niks. Mulisch is, anders dan Wolkers, geen schrijver bij wie veel gegeten wordt.

Gisteravond werd een documentaire over hem herhaald, van Cherry Duyns. Je zag Mulisch rondlopen in een enorm huis in Haarlem waar hij geboren was en de eerste jaren van zijn leven doorbracht. Hier was de keuken, zei hij, en hij sprak over de geur van ‘Sauerbraten’, een beroemd Duits gerecht waarbij vlees eerst gemarineerd wordt in azijn. Hij vertelde over zijn Duitse vader en zijn Joodse moeder, en over de huishoudster, Frieda, die kookte. Duitse keuken dus vast.

Het is vandaag maandag, dus niets geen Sauerbraten. Ik heb het trouwens maar één keer gegeten en vond het wel tamelijk zuur, beslist niet iets om te herhalen.

Keek maar eens in Claudia Rodens De joodse keuken, voor Europees-joodse recepten. Er staat niet veel in dat typisch Duits is, maar ja. Duitsland is groot en heeft veel soorten eten. Ik trof er een aardappel-paddestoelensoep in aan die wel leuk lijkt. Roden zegt dat hij een ‘heerlijke, pure smaak’ heeft.

Joodse paddestoelensoep (voor 4 personen)

  • 1 pond aardappelen
  • 1,5 l groente- of paddestoelenbouillon
  • 250 g shiitake (of champignons)
  • 2 el olie of boter
  • flinke bos peterselie
  • evt. zure room

Schil de aardappelen en snijd ze in stukjes. Kook ze met de bouillon tot ze zacht zijn, maal ze met de staafmixer in de bouillon.

Hak de paddestoelen fijn in de keukenmachine. Bak ze 5 minuten in een koekenpan in wat olie of boter. Doe ze bij de aardappelen in de pan en breng op smaak met peper en zout.

Kook een paar minuten door. Bestrooi de soep met peterselie en voeg eventueel nog wat zure room toe.