De stilte schreeuwt het uit

De personages van Nicole Krauss lijden onder ‘dat wat er gebeurd is’, zoals dichter Paul Celan het ooit formuleerde.

Krauss geeft je geen kans zelf conclusies te trekken.

Wat de verhalen van de joodse personages aan elkaar knoopt in Het grote huis is een donkere kolos van een bureau. Foto Judith Dekker nederland amsterdam september 2007 houten stoel aan idem bureau en een vloer van parket foto judith dekker 07sept304has

Het is bij gruwelijke gebeurtenissen gemakkelijk om de plank mis te slaan. De veewagons waarmee de deportaties naar Auschwitz werden uitgevoerd, zijn nu in sommige musea tentoongesteld als icoon van de genocide. Maar wanneer iemand een miniatuurveewagon – zoals het Florida Holocaust Museum die verkoopt – op het dressoir heeft staan is dat tenenkrommend, hoe authentiek de gevoelens ook mogen zijn die erachter liggen. Holocaustkitsch ligt in de kunst al gauw op de loer, en ook het werk van de gevierde schrijfster Nicole Krauss wil daar wel eens op lijken.

Zo ook in haar nieuwe roman, Great House (Het grote huis). Net als in haar vorige boek, De geschiedenis van de liefde, zijn het ook nu joodse personages, die lijden onder ‘dat wat er gebeurd is’, zoals dichter Paul Celan het zei. De Pools-Britse schrijfster Lotte, de Pools-Amerikaanse schrijfster Nadia, de autoritaire vader Aaron en de eenzame broer Yoav en zus Leah krijgen elk twee hoofdstukken het woord.

Wat hun verhalen aan elkaar knoopt is een donkere kolos van een bureau. Vooral de schrijfsters die het bureau jaren na elkaar bezitten, Lotte en Nadia, lijken erdoor te worden opgezogen: het ‘overschaduwde [...] al het andere als een grotesk, dreigend monster’. Ooit geroofd door de nazi’s staat het voor de gruwelijkheden die door hen zijn begaan, en tegelijk voor de opdracht om die nooit te vergeten. Via omwegen opgedoken in Londen en daarna in New York, lijkt er een appèl tot herinneren en schrijven van het meubel uit te gaan. De joodse vrouwen bij wie het belandt nemen die onuitgesproken opdracht zo serieus dat ze werken in plaats van te leven. Zij zijn ‘survivors from the wreck of childhood’ en uitverkoren om getuigenis af te leggen van datgene waar hun ouders krampachtig over zwegen.

Niet alleen deze schrijfsters hebben als taak om het verleden te bewaren, maar alle joden moeten dat doen, zo horen we van de zoon van een joodse historicus. Nadat Jeruzalem afbrandde met daarin de eerste tempel, het grote huis uit de titel, kon die tempel alleen nog als een boek bestaan, met herinneringen: ‘Elk van ons, wij allemaal, leeft om zijn eigen fragment te bewaren, in een toestand van voortdurend verdriet en verlangen.’ De joodse identiteit bestaat nu uit cirkelen rond een afwezigheid: ‘Voeg een volk naar wat het heeft verloren en laat alles een weerspiegeling zijn van die uiterlijke afwezigheid’.

Dat is nogal een opdracht, en Krauss laat zien dat er nauwelijks mee te leven valt. Haar roman besluit met de hoopvolle boodschap dat Nadia tenminste begrijpt dat er een belangrijker appèl is dan dat van het dode bureau: dat van de levende medemens. Daarmee doet ze iets wat haar voorgangster Lotte niet kon. Die gaf schijnbaar onbewogen haar vijf weken oude zoon weg op een station. Krauss is schrijfster genoeg om mooie zinnen en mooie beelden te vinden voor de wanhoop die daarna bezit van Lotte neemt: zoals de zwarte diepten van de bevroren vijvers waar deze ontaarde moeder zich de rest van haar leven dagelijks indoopt, als was ze op zoek naar de zwartheid in zichzelf.

Krauss weet ook je nieuwsgierigheid te wekken, bijvoorbeeld naar hoe het de jonge Dov zal vergaan nadat hij in de Sinaï een doodbloedende makker heeft moeten achterlaten. Tegelijk zijn het dergelijke zwaar aangezette scènes die de roman doen overhellen naar kitsch. Vooral omdat Krauss je niet de kans geeft om er zelf conclusies uit te trekken. Het sentiment ligt er al vrij dik bovenop, steeds smeert ze er nog een laag bij door te spreken van ‘tremendous guilt’ en ‘crushing sadness’. Er wordt hier zo veel verteld over gevoelens dat er weinig daadwerkelijk te voelen valt.

Het meest verbazende aan deze overdaad is dat Krauss suggereert dat literatuur moet streven naar stilte en puurheid. De schrijfster Nadia verwijt zichzelf dat ze te veel versiering aanbrengt: ze zoekt naar een simpeler, zuiverder proza.

Een dergelijke beladen stilte is inderdaad wat de mooiste literatuur over de Holocaust kenmerkt, zoals Paul Celan of George Perec. Nog los van het feit dat die stilte inmiddels riskeert een cliché te worden, is het verschil tussen deze auteurs en Krauss dat zij niet spraken over stilte. In plaats daarvan suggereerden ze die, door witregels of juist lijsten vol adressen of namen. Waar zij de onzegbaarheid van de Shoah omcirkelen, daar benoemt Krauss hem met overbodige woorden. Dan is stilte geen kaalslag meer, maar kitsch.

Nicole Krauss: Het grote huis Vertaald door Tjadine Stheeman en Rob van der Veer, Anthos, 352 blz. € 21,95