Harry Mulisch gunde iedereen zijn leven

Hij was de Tweede Wereldoorlog, componeerde de wereld en ontdekte de hemel. Maar Nederland is Harry Mulisch nooit geworden, want daarvoor ontbrak het de schrijver aan enige bescheidenheid. Gisteravond overleed hij op 83-jarige leeftijd in zijn woonplaats Amsterdam. “De laatste van de Grote Drie is niet meer”, constateert minister-president Mark Rutte. Mulisch-specialiste Marita Mathijsen zinspeelt

Foto: Leo van Velzen - Op zijn 65e wordt Mulisch geëerd met een bronzen beeld.Foto: Leo van Velzen - Op zijn 65e wordt Mulisch geëerd met een bronzen beeld.

Hij was de Tweede Wereldoorlog, componeerde de wereld en ontdekte de hemel. Maar Nederland is Harry Mulisch nooit geworden, want daarvoor ontbrak het de schrijver aan enige bescheidenheid.

Gisteravond overleed hij op 83-jarige leeftijd in zijn woonplaats Amsterdam. “De laatste van de Grote Drie is niet meer”, constateert minister-president Mark Rutte. Mulisch-specialiste Marita Mathijsen zinspeelt op het mythologische karakter van de schrijver. “Toen hij werd geboren barstte de Vesuvius, nu hij sterft is weer een vulkaanuitbarsting, die Merapi, dat kan geen toeval zijn.” De elementen zijn met hem.

“Dat ‘alles met alles samenhangt’ is zo’n beetje zijn uithangbord”, schreef beroepsgenoot Gerrit Komrij in 1980. En dat bedoelde hij niet als compliment. “Hij is zo verslaafd aan het vinden van samenhangen, dat hij nog voor de grootste onzin niet terugdeinst: gebrek aan logica en hang naar mystiek vallen daarbij wel het meest op.”

Komrij, die zich mateloos ergerde aan Mulisch’ arrogantie, somde in het bewuste essay Waarom Harry Mulisch geen echt groot schrijver is negen voorwaarden voor superieur schrijverschap op.  Eén daarvan luidde: “Hij is in zekere zin publiek eigendom. Zijn individualiteit staat een herkenning niet in de weg. Zijn werk vormt een allegorie van algemener gevoelens, hij is ‘een spiegel van zijn tijd’.” Genadeloos liet hij Mulisch daarop zakken: “Daarvoor heeft hij het tezeer over zichzelf als een nergens mee vergelijkbaar en superieur geval.” 

In het autobiografische Mijn getijdenboek (1975) gunt Mulisch echter iedereen zijn kostbaarste bezit. “Ik wil dat mijn leven ieders eigendom wordt, zodat ik zelf stilletjes door de achterdeur kan verdwijnen.” Als dat geen ironie is dan toch zeker een onlogica van de grootste orde.