'Je woont niet op de Prinsengracht'

Eind 18de eeuw vestigde Nathan Joseph zich in Amsterdam, met een antiekwinkel. Diens nageslacht verwierf aanzien op diverse fronten. Bernard Hulsman interviewt de auteur van deze familiegeschiedenis.

Drie Josephus Jitta's tussen Wertheims: Fanny JJ (1ste van rechts), Carel JJ (2de van rechts) en Alfred JJ (5de van rechts). Foto Joods Historisch Museum

Op 12 januari 1812 veranderde Nathan Joseph in Nathan Josephus Jitta. Die dag nam hij op het Amsterdamse stadhuis een officiële achternaam aan. Zo gaf hij gevolg aan het besluit van koning Lodewijk Napoleon om van alle inwoners van Nederland een achternaam te registreren. ‘Hij doopte de schrijfveer in de inktpot, smeerde de overtollige inkt aan de rand van de inktpot af en begon zijn naam te schrijven’, aldus Theo Toebosch in Uitverkoren zondebokken. Een familiegeschiedenis. ‘Eerst de N, met de vertrouwde zwierige uithaal aan het einde, dan twee schuine parallelle streepjes, gevolgd door Josephus met een flinke krul eronder. Even hield hij in en toen schreef hij voor het eerst: Jitta.’

Uitverkoren zondebokken is de geschiedenis van de Nederlands-Joodse familie Josephus Jitta. Eind 18de eeuw vestigde de in het Beierse Bamberg geboren Nathan Joseph zich in Amsterdam waar hij in de Kalverstraat een winkel in ‘stenen en antiquiteiten’ begon. Zoon Wolf, een van zijn zes kinderen, begon later een internationale juwelenhandel. ‘Zijn drie zonen, Sim, Joseph en Alfred, hebben de zaak verder uitgebouwd’, zo vat Toebosch de geschiedenis aan het eind van zijn boek samen. ‘Van hen heeft alleen Alfred kinderen gekregen, na hem splitst de familie zich in twee takken, gevlekte hond Willem zorgt voor de ene en jurist Daniel en medicus Nicolaas voor de andere. Die laatste tak heeft het hoofd het verst boven het maaiveld uitgestoken, met Carel de hoogleraar en hoofdredacteur, Paul de sluizenbouwer en Annie de archeologe.’

Gevraagd naar hoe een archeoloog en journalist ertoe komt een boek over een Joodse familie in Nederland te schrijven, staat Theo Toebosch (1963) op van tafel in zijn woning in Amsterdam-West om een boek te halen. Hij komt terug met Antieke Cultuur in Beeld van prof. dr. A.N. Zadoks-Josephus Jitta. „Dit boek had ik al als gymnasiast”, vertelt hij. „De naam van de auteur was intrigerend – ik wist niet eens of het om een man of een vrouw ging. Later, toen ik in Amsterdam klassieke talen en archeologie studeerde, bleek het Annie Zadoks-Josephus Jitta te zijn, een kleine vrouw die je wel eens in het faculteitsgebouw zag lopen, altijd met een klein hondje. Ze was toen al met emeritaat. Toen ik zes jaar geleden voor een archeologisch blad een portret van haar wilde schrijven hoorde ik van een nicht van haar over een stamboom, die in Bamberg begon, en over het bestaan van een familiearchief. Ze vertelde ook allerlei verhalen waarbij de grote en kleine geschiedenis in elkaar grepen. Zo had Annies broer, ingenieur bij Rijkswaterstaat, nog kaartavondjes met de latere NSB-leider Mussert gehad. Toen heb ik het plan opgevat aan de hand van de familiegeschiedenis van de Jitta’s te beschrijven hoe het immigranten in vroeger eeuwen verging. Dat het een Joodse familie was, was min of meer toeval.”

Wat was de grootste verrassing bij uw onderzoek naar de Jitta’s?

„Dat Nathan Joseph, de aartsvader van de familie, door de prince de Ligne was benoemd tot handelsdirecteur van Fagnolle, voor hij naar Amsterdam ging. Fagnolle was een baronie in de Ardennen, waar de prins grootse plannen mee had die nooit van de grond zijn gekomen. Ik had nog nooit van de prince de Ligne gehoord. Er ging, ook met dank aan internet, een wereld voor me open. Hij bleek een interessante figuur die contact had met Voltaire, Rousseau en Casanova.”

Over Amsterdam horen we altijd dat Joden het Mokum noemden, goede plaats. Was dat een van de redenen dat Nathan Joseph er naar toe ging?

„Ja, het is geen mythe dat Amsterdam een grote mate van godsdienstvrijheid kende. Zeker voor Joden. Die mochten zelfs iets wat katholieken niet was toegestaan: eigen gebedshuizen bouwen. Aan het Waterlooplein staan maar liefst twee grote synagogen uit de Gouden Eeuw. Maar dat wil niet zeggen dat er helemaal geen antisemitisme bestond.

„De Josephus Jitta’s deden heel erg hun best om erbij te horen, ze voelden zich Nederlanders en waren dol op Amsterdam. Ze waren maatschappelijk buitengewoon actief, zaten in besturen van allerlei organisaties. Maar ze bleven toch altijd de ander. Onze ouders hadden het nog gewoon over jodenstreken.”

U beschrijft de geschiedenis van de familie Josephus Jitta in een opvallend laconieke, droge stijl. Waarom hebt u daarvoor gekozen?

„Dan komen ingrijpende gebeurtenissen harder aan. Ik erger me altijd wild aan schrijvers die leed uitventen. Of iets erg is, maakt de lezer zelf wel uit, dat hoef je ze niet in te peperen. Daarom wilde ik in eerste instantie de geschiedenis van de Josephus Jitta’s vertellen zonder in te gaan op de Tweede Wereldoorlog. Daar is al zo veel over geschreven dat ik het er niet wéér over wilde hebben. Maar de oorlog bleek voor de familiegeschiedenis toch te ingrijpend om ongenoemd te laten.

„ De Josephus Jitta’s doken onder, kwamen in kampen, de man van Annie Zadoks is gefusilleerd of doodgeschopt.”

Opvallend is ook dat u aan de ene kant in de huid van sommige Josephus Jitta’s kruipt en bijvoorbeeld beschrijft wat ze zien en horen. Maar aan de andere kant waagt u zich niet aan psychologische duidingen.

„Ik ben min of meer als een archeoloog te werk gegaan. Uitgangspunt is wat archeologen de ‘materiële cultuur’ zouden noemen: de archiefstukken die ik vond in Amsterdam, Bamberg, Leipzig, Parijs en Beloeuil, het kasteel van de prince de Ligne in België. Door die stukken te combineren met andere bronnen, kun je daarover verhalen vertellen zonder dat je iets hoeft te verzinnen.

„Neem een briefje van een dochter van Nathan, waarin ze haar broer namens haar vader om geld vraagt. Daar zitten sporen van rode lak op. Bij het KNMI is na te gaan wat voor weer het was op de dag van dagtekening in Amsterdam. En zo kan je vertellen hoe iemand op een mooie dag een briefje schrijft, dicht vouwt, verzegelt en aan een loopjongen meegeeft.”

U spreekt ook geen oordelen uit. Zelfs niet over de mogelijke sympathieën van Annie Zadoks-Josephus Jitta voor het fascisme van Mussolini en het lidmaatschap van haar man, een joodse advocaat, van de NSB.

„Wie ben ik om daar over te oordelen? Ik schrijf wel dat het in de oorlog niet zwart-wit was en zelfs niet grijs, zoals mensen als Chris van der Heijden beweren. Er waren uitersten van goed en fout, dat is zeker, maar daartussen zit een regenboog aan kleuren.”

De glorietijd van de Josephus Jitta’s was de 19de eeuw. Sim is een van de hoofdverantwoordelijken voor het graven van het Noordzeekanaal, Daniel wordt een rechtsgeleerde met internationaal aanzien en Nicolaas is wethouder van Amsterdam. Hoe is het de Jitta’s de laatste decennia vergaan?

„Status was altijd erg belangrijk geweest voor ze. Toen een familielid in de 20ste eeuw op de Prinsengracht ging wonen, beschouwden sommige Jitta’s dat als een neergang. Je woonde op de Keizersgracht of de Herengracht, niet op de armoedige Prinsengracht. Maar die neergang is relatief. Het gaat de meesten nog altijd goed. De een is vennoot van een internationale advocatenfirma, de ander officier van justitie, enzovoorts. Het grootste verschil is dat er vroeger elke week wel een Josephus Jitta in de krant stond, en nu wat minder.”

‘Uitverkoren zondebokken’ heeft ook geen boodschap. Toch dringt zich bij het lezen herhaaldelijk een vergelijking op met de immigranten uit moslimlanden en hun integratie. Zijn er parallellen tussen de integratie van de Josephus Jitta’s en de moslims?

„Vaak zegt men dat integratie drie generaties vereist. Maar bij de Josephus Jitta’s begon dat al met de eerste generatie. Nathan Joseph begon een winkel buiten de Amsterdamse Jodenbuurt, in de toen chique Kalverstraat. Toch zijn er ook parallellen. Eind 19de eeuw werd er bijvoorbeeld druk gedebatteerd over de vraag of Joden onderwijs in de eigen taal moesten krijgen. Toen nam ook het antisemitisme toe door de schoolstrijd. De liberalen wilden openbaar onderwijs en Joden sloten zich vaak aan bij liberale partijen. Dat was tegen het zere been van de confessionele partijen. Die begonnen de Joden vervolgens meer als onchristelijken te zien. En bij de diesrede die Daniel als hoogleraar in 1901 hield over het wereldburgerschap moest ik denken aan de verwijten die Wilders en zijn tegenstanders elkaar over en weer maken over het Nederlanderschap. Of aan de huidige discussie over de EU. Maar dat zijn associaties die ik niemand wil opdringen. Laat een lezer er zelf maar op komen. Of niet.”

Theo Toebosch: Uitverkoren zondebokken. Een familiegeschiedenis. De Bezige Bij, 303 blz. €18,90

    • Bernard Hulsman