iHassan en de Facebookverslaving

Hassan Bahara schrijft over zijn relatie met Facebook, nu de film over het sociale netwerk draait.

Op 21 juli 2010 verwelkomde Facebook het 500.000.000ste lid. Een dag later verwijderde ik mijn Facebook-account, wat het totaal aantal leden weer terugbracht tot 499.999.999

Ik had de gebruikelijke redenen om mijn account op te zeggen: het slokte te veel tijd op en ik was bang dat ik door mijn virtuele leven op Facebook niet meer toekwam aan het werkelijke leven. Ik beschouwde mijzelf als een verslaafde. Aan een drugs of alcoholverslaving kun je nog een romantische en artistieke draai geven, maar wat is er romantisch of artistiek aan het uren achtereen staren naar een computerscherm? „Raakte je geïsoleerd door Facebook en raakte je geagiteerd als je werd onderbroken?” vroeg Dick Turbendorffer mij. Dick is verslavingsagoog en directeur van CrisisCare, een afkickcentrum dat zich onder meer specialiseert in internetverslaving. Hij is ook een ervaringsdeskundige; Veertien jaar geleden was hij nog zelf verslaafd aan cocaïne en alcohol.

„Nee” antwoordde ik op zijn beide vragen.

„Ik zou jou niet zo snel een verslaafde noemen”, zei Dick. „Facebook is eerder een doorgeschoten passie voor jou.”

„Zit u op Facebook?” vroeg ik hem.

„Nee. Maar ik zit wel op LinkedIn. En ik heb een weekje op Hyves gezeten.”

„Waarom maar een weekje?” „Mijn vriendin zit ook op Hyves en die ging ik de hele tijd controleren, kijken met wie ze allemaal in contact was. Ik werd er heel bezitterig van.” Dick schetste mij het beeld van een typische internetverslaafde: het is vaak een man, die vooral verslaafd is aan internetporno en dat combineert met een andere verslaving: alcohol of drugs.

„Je ziet er moe uit, je hebt wallen onder je ogen” zei Dick. Bang dat hij mij zou houden voor een cokesnuivende pornooverslaafde, die nachtenlang doorhaalt, haastte ik mij te zeggen dat ik uitgeput ben van de halve marathon die ik die dag had gelopen. „Is het erg om een internetverslaafde te zijn?” vroeg ik.

Weer schetste Dick mij een inktzwart beeld, ditmaal van een samenleving waar mensen niets meer geven om sociale contacten en waar iedereen te kampen heeft met neuroses. Ik was geneigd om Dicks zorgen te delen, maar mijn Facebookloos leven had ook een keerzijde.

Facebook was complementair aan mijn werkelijke leven. Ik gebruikte de netwerksite om afspraken te maken, om te roddelen, om uitgaanstips op te pikken, om verwaarloosde contacten te revitaliseren. Maar sinds ik Facebook-af was, werd mijn sociaal isolement met de dag groter.

„Er zit een saus van luchtigheid over Facebook die geen recht doet aan het fundamentele karakter van de mens”, zei Dick. „Niemand stelt zich kwetsbaar op, het moet allemaal lollig en zonnig wezen. Er is nauwelijks ruimte voor de minder vrolijke kanten van het leven.” Dicks negatief oordeel over het escapistisch karakter van Facebook ontlokte mij een instemmend hoofdknikje. Het Nederlands calvinisme resoneert ook in mij: het leven moet natuurlijk geen al te vrolijke boel zijn, ook niet op internet. „Denk je dat je je Facebook-account binnenkort weer zult activeren?” vroeg Dick. Ik antwoordde ontkennend, maar het eerste wat ik deed toen ik buiten stond, was Facebook op mijn iPhone installeren en mijn account heractiveren. Dick zei het al, Facebook is een doorgeschoten passie voor mij, geen verslaving. Het was het excuus dat ik nodig had om weer uit de virtuele dood op te staan.