Waarom wordt de elite haar kunst niet gegund?

De ‘elite’ betaalt zich blauw aan subsidies voor jan modaal. Mag ze dan haar kunst behouden? Ze eist de huursubsidie toch ook niet terug? Door Bas Heijne.

Illustratie Hajo
Illustratie Hajo

Een paar maanden geleden was ik uitgenodigd op een bijeenkomst van een aantal kunstinstellingen, om te debatteren over de vraag: hoe ging de kunstwereld zich verdedigen tegen de bezuinigingen op subsidies die er zeker aan zaten te komen?

Er gingen harde klappen vallen, dat was zeker. Maar de bijeenkomst ging opvallend genoeg niet over hoe je bewindslieden die de kunst korten effectief de loef kon afsteken. Er hing tijdens die bijeenkomst geen sfeer van vastberadenheid – eerder een van vertwijfeling. De dieper liggende kwestie was dan ook een lastige: hoe de kunst opnieuw in de samenleving te legitimeren, wanneer haar bestaansrecht steeds gemakkelijker en steeds feller in twijfel werd getrokken?

Kunst wordt in het huidige klimaat steeds meer gezien als speelgoed van die elite, waar de gewone man ook nog eens aan meebetaalt, zonder dat hij er enig genoegen aan beleeft. In de inmiddels befaamde woorden van PVV’er Sietse Fritsma: „Waarom moet jan modaal betalen voor een elitegezelschap dat een tromboneclubje bezoekt?” Met dat tromboneclubje bedoelde hij het Residentieorkest, dat in 1904 werd opgericht.

Maar de haat tegen kunst en gesubsidieerde kunst in het bijzonder is niet alleen afkomstig van een populistische partij als de PVV. Probeerde een politicus als Joop den Uyl in de jaren zeventig nog indruk te maken door publiekelijk zijn liefde voor kunst en cultuur te etaleren, tegenwoordig struikelen politici over zichzelf om hun toewijding aan de commerciële massacultuur te tonen. Men laat zich liever zien bij de première van een musical dan van een opera. Toen hij naar zijn favoriete film aller tijden gevraagd werd, noemde oud-premier Jan Peter Balkenende onlangs Er komt een vrouw bij de dokter. Bekend is ook zijn uitspraak, toen hij gevraagde werd waarom in het regeerakkoord van Balkenende II de woorden kunst en cultuur niet één keer voorkwamen: „Hoezo hebben we geen cultuurbeleid? We besteden veel aandacht aan kunstwerken; er worden veel bruggen en wegen aangelegd. Kijk maar naar Rotterdam: daar worden bruggen als kunst beschouwd.”

Ik herinner me een discussie in Amsterdam uit ongeveer dezelfde tijd waarin het toenmalige VVD-Kamerlid Stef Blok, inmiddels fractievoorzitter, pleitte voor afschaffing van alle kunst- en cultuursubsidies, behalve die voor het onderhoud van erfgoed en nog wat klein grut voor educatie. Wanneer iemand naar de opera wilde, of naar een toneelvoorstelling, dan moest hij dat maar zelf betalen. Toen ik tegenwierp dat een toneelstuk als Shakespeare’s Romeo and Juliet grote invloed heeft gehad over hoe wij over de liefde denken, en dat het daarom belangrijk is dat dat stuk niet uit het zicht verdwijnt, antwoordde hij: „Dan speel je thuis toch gewoon een dvd van West Side Story af?’’

Het is dus al veel langer bon ton om te praten alsof de kunsten volkomen losstaan van de samenleving en enkel nog een kleine, in zichzelf gekeerde groep bedient. De „culturele elite’’, heet het, heeft zich teruggetrokken in een bastion van goede smaak en doet geen pogingen meer om die kunst met het volk te delen, haar inzichtelijk te maken, haar te delen met zoveel mogelijk mensen – integendeel, het is juist in het belang van die elite om de kunst zo exclusief mogelijk te houden.

Wie naar bewijzen voor dat beeld zoekt, hoeft niet lang te zoeken. De kunstwereld heeft de afgelopen decennia verzuimd naar een nieuwe relatie met de maatschappij te zoeken. Onder druk van het marktdenken zijn er de afgelopen jaren weliswaar talloze publieksvriendelijke initiatieven ondernomen, maar een diepgravende, ingrijpende discussie over de relatie tussen kunst en samenleving is achterwege gebleven.

Hoewel van die hautaine houding weinig meer over is, dreigt er enkel verontwaardiging voor in de plaats te komen. Kunst is belangrijk, en wie daar vraagtekens bijzet, is dom en boosaardig – kijk maar naar de PVV. Econoom Arjo Klamer vatte de reactie tegen die houding als volgt samen (NRC Handelsblad, 27 augustus): „De artistieke/culturele argumenten komen erop neer dat Kunst – met een hoofdletter K – goed is en dat Kunst moet. (…) De gewone man ziet het anders. Waarom zou het ballet beter voor hem zijn dan, pakweg, Riverdance? Zijn mensen die zich met Kunst bezighouden, soms beter? (…) Als de elite vindt dat haar cultuur zo hoog is, laat ze er dan ook zelf voor betalen.’’

Klamers argument behoort inmiddels, zie ook de uitspraak van Fritsma, tot het bekende repertoire. Het verbaast me eerlijk gezegd hoe weinig tegenspraak het uitlokt. Het is bij uitstek een oneigenlijk argument, dat je met gemak omverkegelt.

Draai het eens om: wat doorgaat voor de elite betaalt zich blauw aan subsidies die Klamers „gewone man’’ ten goede komen, zonder dat men er zelf deel aan heeft – huursubsidies bijvoorbeeld. Wanneer die zogenaamde elite zich van dezelfde argumenten zou bedienen en op dezelfde hoge toon zijn geld zou terugeisen, zou er schande van gesproken worden. Waarom wordt die zogenaamde elite dan „haar’’ kunst niet gegund? Ze is al op zoveel gebieden solidair met jan modaal.

Ik heb geen kinderen. Ik betaal mijn hele leven voor de voorzieningen van de kinderen van anderen. Dat doe ik in het besef dat kinderen belangrijk zijn voor de samenleving. Net zo zou men de gedachte moeten opgeven dat kunstuitingen alleen hun bestaansrecht bewijzen wanneer ze voor iedereen zijn. Het idee dat je moet kunnen deelnemen aan alles waar je belastinggeld naartoe zou kunnen gaan, is idioot – het gaat recht in tegen het idee van een samenleving als gemeenschap.

Het enige tegenargument dat ik tegen deze redenering kan bedenken, is dat wanneer eerst de belastingen omlaag gaan, je zelf mag beslissen wat je met het geld doet: naar de opera of naar Lady Gaga - of naar allebei. Dat klinkt zinnig. Alleen gaan de belastingen in Nederland nooit omlaag.

Kunst laat ons ons bestaan onderzoeken op een manier die zich aan gemakkelijke slogans en frases onttrekt, kunst maakt korte metten met eenduidige beelden van onszelf en de werkelijkheid. Het is de kunst die, in de woorden van de schrijver Henry James, het leven maakt; het is de kunst die ons de middelen verschaft om het bestaan te verkennen door middel van de verbeelding. Lang niet alle kunst is goed, maar er moet nu eenmaal altijd veel slechte kunst gemaakt worden om tot goede kunst te komen.

Door technologische en maatschappelijke ontwikkelingen is de relatie tussen kunst en de samenleving veranderd. De zogenaamd „hoge’’ kunst bevindt zich tegenwoordig in het domein van de massa- en mediacultuur. Dat brengt allerlei spanningen met zich mee.

Maar verandert de betekenis van kunst daardoor? De Middeleeuwse frescoschilder Giotto stond in een andere relatie tot zijn omgeving dan Piet Mondriaan tot de zijne. Maar wanneer wij naar hun werk kijken, beseffen we direct dat beide mannen in hun tijd essenties probeerden bloot te leggen, hun diepste waarnemingen en ingevingen over het leven vastlegden in hun werk. Beide zijn onmiskenbaar kinderen van hun tijd en beiden ontsnappen er moeiteloos aan. Dat is de paradox van kunst.

De Nederlandse kunstwereld kan heus wel wat bezuinigingen aan. Maar daar gaat het niet om. De vraag is: is ze ook tegen kunsthaat bestand? Want dat is de emotie die nu overheerst. Een kunstvijandige samenleving is een samenleving die niet langer naar zichzelf wenst te kijken, die niet meer is staat is over zijn eigen horizon te zien en enkel nog eenduidigheid nastreeft. Een samenleving die niet langer nieuwsgierig is naar wat een mens tot mens maakt en de relatie met andere mensen onderzoekt.

Zo’n samenleving is, lijkt me, een gevaar voor zichzelf.

Bas Heijne is schrijver, essayist en columnist voor NRC Handelsblad. In het novembernummer van magazine GRID#02 verschijnt van hem een aanvullende analyse over kunstbezuinigingen.