'De meeste gevers zijn al blij met een bedankje'

Particuliere giften kunnen culturele instellingen rijker maken. Maar dan moet de relatie met mecenassen beter. „Ze moeten leren te investeren in contacten.”

Rosan Hollak

„Alleen een bedelbrief sturen als de nood aan de man is, is niet genoeg. Je moet als kunstinstelling investeren in je relaties. Een mecenas wil zich betrokken voelen. Het hele bedrijf moet zich daarom bewust zijn van haar geldschieters, van de kassamedewerker tot aan de directeur.”

Dat zegt Sigrid Hemels, hoogleraar belastingrecht aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Vandaag verschijnt haar boekje Mecenaat en fiscus bij het Prins Bernhard Cultuurfonds. Ze schreef het met voormalig Staatsecretaris van Financiën Ferdinand Grapperhaus, die eerder dit jaar overleed.

In Nederland wordt met mecenassen niet goed omgegaan, stelt Hemels. „Een mecenas wordt op zijn hoogst gevraagd om bij een publieksopening langs te komen, dan mag hij vervolgens hopen dat de museumdirecteur even tijd heeft om te laten zien waar zijn schilderij hangt.”

Zulke incidenten zijn er vaker. „Ik heb ook wel verhalen gehoord van gevers die een kunstwerk hadden uitgeleend en vervolgens zelf met het museum moesten bellen om te horen dat het schilderij alweer in het depot lag.”

Volgens Hemels is het onmogelijk om de 200 miljoen euro bezuinigingen op kunstsubsidies de komende vier jaar alleen op te vangen met donaties van particulieren. „Voordat je een culture of giving kunt ontwikkelen, moet je eerst een culture of asking creëren. Dat vergt in Nederland een cultuuromslag die jaren kost. Veel kunstinstellingen hebben, mede door de overheidssubsidies die zij altijd hebben ontvangen, weinig ervaring in het omgaan met particuliere geldschieters. Ze moeten leren te investeren in persoonlijke contacten met potentiële gevers. Dat kost tijd.”

Instellingen zijn soms huiverig voor de consequenties van het binnenhalen van gevers. „Ze zijn vaak bang dat iemand die geld geeft, ook inspraak wil. Dat is niet waar. De meeste gevers willen alleen maar een bedankje krijgen.”

U stelt dat giften aan kunst en cultuur samen moeten gaan met een betrokken overheid. Waarom?

„Het mecenaat heeft een basisfinanciering van de overheid nodig. In de negentiende eeuw zijn gezichtsbepalende kunstinstellingen als Museum Boijmans Van Beuningen en het Concertgebouw, maar ook het Vondelpark, door particulier initiatief van de grond gekomen. Alleen bleek al snel bij deze private initiatieven dat voor de exploitatie de helpende hand van de overheid noodzakelijk was.

„Dat geldt nog steeds: je hebt altijd wel mensen die een deel van de collectie van een museum willen financieren, maar ze willen niet bijdragen aan de vaste lasten van een culturele instelling.”

Nederlandse musea zouden wel goed zijn in het werven van particuliere giften.

„Dat klopt. Het mecenaat is vooral door de podiumkunsten, waar nu de harde klappen vallen, niet goed opgepikt.”

Valt hen dit aan te rekenen?

„Nee, de overheid heeft zichzelf ook wat te verwijten. Na de Tweede Wereldoorlog heeft de overheid de financiering van podiumkunsten naar zich toe getrokken. Er is een cultuur ontstaan waarbij instellingen het belangrijk vonden dat ze door de overheid werden gefinancierd. In feite was dat een soort keurmerk. Hierdoor raakte men minder gericht op het gewone publiek en het werven van particuliere giften.”

Maar er zijn toch uitzonderingen?

„Ja. Toneelgroep De Appel en Het Nationale Ballet hebben op een succesvolle manier hun vriendenverenigingen onderhouden. Met de recente campagne ‘Help Don Quichot in het zadel’ heeft het Nationale Ballet 40 duizend euro ingezameld bij hun vaste bezoekers om daarmee driehonderd kostuums te bekostigen.”

Kunnen de fiscale regels voor gevers in Nederland worden verbeterd?

„Veel is al goed geregeld. De giftenaftrek is een grote stimulans voor donateurs. Daarnaast is het mogelijk om erfbelasting met kunst te voldoen, zijn kunstinstellingen vrijgesteld van schenk- en erfbelasting en bestaat er een genereuze giftenaftrek.

„Maar de Nederlandse belastingwet kent bijvoorbeeld geen belastingssubsidies om het openstellen van privaat kunstbezit te stimuleren. De mecenas die zijn bezittingen voor een ander wil openstellen, staat in Nederland fiscaal in de kou.”

U schrijft dat het goed is als een mecenas zichzelf bekend maakt. Waarom?

„Onlangs is de Roode Bioscoop in Amsterdam gered door een stille mecenas. Ik respecteer het dat zo iemand anoniem wil blijven om een stortvloed aan bedelbrieven te voorkomen. Maar het heeft wel meerwaarde als iemand zichzelf bekend maakt: goed voorbeeld doet goed volgen.

„Op dit moment worden er door allerlei mensen petities ondertekend om de bezuinigen tegen te houden, maar ik denk: put your money where your mouth is. Geef dan ook écht geld. In de VS ziet men het mecenaat als een morele plicht. Men schaamt zich niet om te laten zien dat je maatschappelijk betrokken bent, dat zouden we hier ook meer moeten durven.”