Zingend staken we door, tot ons pensioen

In Frankrijk leert elke generatie haar kinderen demonstreren. Kleurrijke optochten met fluitjes en vaandels zijn leuk. En cruciaal om de geschiedenis vooruit te helpen.

Ook de herfstvakantie volgende week kan boze Fransen niet stoppen. Ze demonstreren door tegen de pensioenhervormingen, besloten de verzamelde vakbonden gisteren. Donderdag volgt de zevende massademonstratie sinds de zomer.

En dit hoewel de senaat dan waarschijnlijk de verhoging van de pensioenleeftijd van 60 naar 62 in eerste lezing al goedgekeurd heeft.

De vakbonden kennen hun regering. Die plande de besluitvorming in de hoop dat de - in Frankrijk niet gespreide - schoolvakanties een natuurlijke stakingsbreker zouden zijn. Volhouden dus.

Waar halen de Fransen toch de energie vandaan om zo veel te staken en te demonstreren?

Protest en verzet maken deel uit van de politieke cultuur in Frankrijk. De Republiek zelf bestaat dankzij een opstand: de revolutie van 1789, die een einde maakte aan de absolute monarchie.

Daarna volgden opstanden zoals de ‘Commune van Parijs’ van 1871, waarbij links-republikeinse krachten barricaden opwierpen om sociale wetgeving af te dwingen. In mei 1968 vond het mythische protest plaats van arbeiders en studenten, die meer loon en culturele vrijheid eisten.

Alle grote en kleinere revoluties hebben in het Franse publieke bewustzijn de gedachte doen ontstaan dat sociale vooruitgang afhangt van straatprotest. Bij de huidige demonstraties over de pensioenen is dat merkbaar aan het gebruik van de jaartallen 1968, en zelfs 1789, in debatten, in krantenartikelen en op spandoeken.

De protestcultuur wordt van generatie op generatie overgedragen. Demonstrerende scholieren worden deze weken begeleid door ouders en leraren.

Demonstreren levert vaak ook nog wat op. In 1991 vochten boeren met de politie en richtten vernielingen aan. President Mitterrand bood hen een vroeger pensioen aan . In 1995 strandde een poging van president Chirac en zijn premier Juppé om de sociale zekerheid te hervormen op massale demonstraties en stakingen. Premier De Villepin moest in 2006 een flexibel arbeidscontract voor jongeren intrekken, na demonstraties en soms gewelddadige bezettingen van universiteiten.

Meer dan in bijvoorbeeld Nederland is staken en demonstreren voor vakbonden een normaal middel om invloed uit te oefenen op het politieke proces.

Dat lijkt te maken te hebben met de centralistische politieke cultuur van Frankrijk. De revolutie van 1789 leverde Napoleons Keizerrijk op. En in de huidige Vijfde Republiek lopen alle politieke lijnen naar het Elysée-paleis, waar Nicolas Sarkozy huist. Hervormingen worden uitgezet in het Elysée.

Sarkozy liet in 2008 een hervorming van de arbeidsmarkt voorbereiden door de sociale partners. Nu lijkt de president teruggevallen in de oude gewoonten. Vakbonden klagen dat ze in het geheel niet zijn betrokken bij de pensioenhervorming.

Uit het aantal stakers of demonstranten ontlenen de vakbonden hun legitimiteit in het publieke debat. Na ieder protest begint een bataille des chiffres - een slag om de aantallen – waarbij de schatting van het aantal demonstranten door de bonden vele malen hoger ligt dan de schatting van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Bij demonstraties in Frankrijk verveel je je niet. Het zijn vaak ellenlange, kleurrijke optochten met spandoeken, fluitjes, vaandels, banieren en muziek. Op spandoeken staan niet alleen linkse parolen, maar worden ook grappen gemaakt: ‘Ik staak tot mijn pensioen!’

Voor scholieren is het protesteren niet alleen leuk, maar ook spannend. Het lijkt soms alsof ze de Franse geschiedenis naspelen als ze barricades met kliko’s opwerpen. Ook de oliearbeiders van de Total- raffinaderij in Grandpuits, ten oosten van Parijs, hadden het dinsdag prima naar hun zin bij hun blokkade.

En toch: de gezichten van demonstranten betrekken nogal eens. Het zijn vaak niet alleen „de pensioenen”, maar ook „de crisis” of „het klimaat in het land”. Onder de Fransen bestaat een diep onbehagen. De werkloosheid is hoog, vooral onder jongeren (23 procent).

Na de oliecrisis van 1973 is het nooit meer goed gekomen, zeggen ze. Door „de mondialisering” moet Frankrijk veel sociale voorzieningen prijsgeven. Er vallen termen als „afbraak” en „verval”.

Wat Fransen vaak niet willen horen is dat veel verworvenheden, zoals de pensioenleeftijd van 60 jaar, riant zijn in vergelijking met regelingen elders in Europa.