Waar vinden we de nieuwe orde?

Hoe het er aan toe ging in een denkbeeldig, Duits, 19de-eeuws provinciestadje weet Andrés Neuman voorbeeldig te vertellen, constateert Ger Groot. Maar halverwege het boek maakt de romancier plaats voor de essayist. Hoe gaat hem dat af?

Een landschap (ca. 1833) van de Duitse schilder Andreas Achenbach (1815-1910). Uit 'Biedermeier Painting', Thames & Hudson, 1987
Een landschap (ca. 1833) van de Duitse schilder Andreas Achenbach (1815-1910). Uit 'Biedermeier Painting', Thames & Hudson, 1987

Andrés Neuman: De eeuwreiziger. Vertaald door Corrie Rasink. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 620 blz. € 24,95

Duitsland en de Duitse geschiedenis zijn sinds de jaren negentig favoriete onderwerpen geworden in de Spaanstalige literatuur. De Tweede Wereldoorlog en de aanloop daartoe trekken daarbij de meeste aandacht. Maar de in Spanje woonachtige Argentijnse auteur Andrés Neuman ging veel verder terug. Zijn zojuist vertaalde, lijvige roman De eeuwreiziger speelt aan het eind van de jaren 1820.

De opkomst en ondergang van Napoleon liggen nog vers in het geheugen, al heeft de restauratie inmiddels met volle kracht teruggeslagen. Metternich beheerst het politieke toneel, en met hem de conservatieve Heilige Alliantie. Maar in de kunsten gist het. Sturm und Drang heeft zich ontwikkeld tot een volwassen Romantiek waarin de dromen van vrijheid en vooruitgang levend blijven. De emancipatie van de burgerij, en daarbinnen die van de vrouw, laten zich niet zomaar terugdringen. Terwijl de stoommachine aanzet tot nieuwe productietechnieken, arbeidsverhoudingen en reismogelijkheden, heeft de Verlichting gezelschap gekregen van een oplevende belangstelling voor het volkseigene en het belang van een nationale cultuur.

In die wereld laat Neuman zijn hoofdpersoon, de achternaamloze ‘meneer Hans’, een wonderlijk stadje aandoen, ergens op de grens tussen Pruisen en Saksen. Hoewel hij zegt op doorreis te zijn, blijft hij ruim een jaar plakken in het stadje dat niet voor niets Wandernburg heet. Het lijkt voortdurend van plaats te veranderen en ook binnen de eigen muren blijven de huizen nooit op dezelfde plaats.

Hans wordt er danig door in de war gebracht, maar gaandeweg raakt hij ingeburgerd, opgenomen in de wekelijkse Salon ten huize van de patriarchale heer Gottlieb. Hij wordt er verliefd op diens dochter Sophie, die officieel beloofd is aan een telg uit de rijkste en machtigste familie van het stadje. De verloving houdt geen stand, maar ook voor Hans en Sophie is geen gezamenlijk geluk weggelegd. Aan het eind van de roman vertrekken beiden in tegenovergestelde richting, romantisch voorbestemd voor das Wandern.

Met De eeuwreiziger zitten we midden in de wereld van Schubert, maar ook in die die van Shelley en Wordsworth, Walter Scott en Caspar David Friedrich, Schopenhauer en Gérard de Nerval. Neuman laat hen (en nog vele anderen) uitvoerig naar voren komen in de lange gesprekken die Hans en Sophie voeren over politiek, cultuur en literatuur. Zowel erotisch als intellectueel tot elkaar aangetrokken, lezen en vertalen zij gezamenlijk talloze Europese dichters en schrijvers, en geven zich op zijn herbergkamer tussen het werk door over aan losbandige vrijpartijen.

Aanvankelijk imponeert Neuman met de overtuigende wijze waarop hij een vroeg-19de-eeuws Duits provinciestadje weet neer te zetten. Het kaarslicht in het logement waar Hans zijn intrek neemt, de bewerkelijkheid van het huishouden zonder keukenapparaten en wasmachines, het geluid van de kerkklok die het hele dagritme bestiert, het zware meubilair in huize Gottlieb en het jengelende geluid van het orgeltje van de wereldwijze straatmuzikant met wie Hans vriendschap sluit: dat alles roept fysiek een Biedermeier-wereld op waarvan wij ons nauwelijks nog een voorstelling kunnen maken – en daar meestal ook niet al te veel moeite voor willen doen.

Hoeveel onrecht we deze periode daarmee aandoen maakt Neuman in deze roman indringend duidelijk. De erfenis van de Franse Revolutie riep om een antwoord dat dichters en denkers met moeite probeerden te geven. De Napoleontische oorlogen hadden Europa in een chaos gestort die om een nieuwe orde vroeg. Maar hoe was die te verzoenen met de eisen van nieuwe technologieën die gaandeweg overal doordrongen en met een emancipatiewil die zich niet in zijn hok liet terugjagen? In kunst en literatuur werd nog altijd een vrijheid bezongen die zich spiegelde aan de natuur en de oerkracht van het volkse. Maar de samenleving verlangde allereerst naar iets anders: rust. Daartoe greep men graag terug op verhoudingen die door de Revolutie eerder omvergeworpen waren.

In de lange gesprekken die Neuman zijn hoofdpersonen laat voeren, komt dat allemaal nadrukkelijk aan de orde. Dat gaat op den duur een beetje storen, omdat De eeuwreiziger soms meer lijkt op een essay dan een roman. De verhandelingen over de taak van de literatuur, het probleem van het vertalen van poëzie, de juiste verhouding tussen de geslachten en de verwerpelijkheid van een standenmaatschappij zijn zeker interessant. Maar ze halen wel de vaart uit het verhaal, waarin uiteindelijk niet zo heel veel gebeurt.

De eeuwreiziger is weliswaar geen ideeënroman (er wordt geen bij voorbaat vaststaande stelling door geïllustreerd), maar voor een groot deel wel een roman óver ideeën – en ook daarmee gebeurt iets merkwaardigs. Want naarmate het boek vordert, beginnen de gesprekken tussen Hans en Sophie steeds bekender te klinken. De rehabilitatie van de vroege 19de eeuw mondt ongemerkt uit in de ontdekking dat de problemen van die tijd en de problemen van onze tijd in belangrijke mate dezelfde zijn. Ook wij bevinden ons in de slagschaduw van een revolutionaire tijd die de maatschappelijke verhoudingen diep schokte. En ook wij weten nog niet goed hoe er van de vrijheidsdrang van de jaren zeventig nog iets te behouden valt in het huidige klimaat van restauratie, blikvernauwing en nieuwe preutsheid.

Als het Neumans bedoeling is geweest die parallel te trekken, dan is hij daarin goed geslaagd. Dat zou een mooie verklaring zijn voor de titel van het boek en ook voor de sprookjesachtige beweeglijkheid van het stadje Wandernburg, waarmee Neuman binnen zijn vertelling uiteindelijk weinig doet. Ze zou ontsprongen zijn aan de ongewisheid van het geheugen (óns geheugen) dat zich in het verleden van twee eeuwen her zou spiegelen, maar dat dat spiegelbeeld nooit helemaal helder en constant weet te krijgen. Hans’ wereld is de onze, maar slecht herinnerd en daardoor altijd een beetje inconsistent.

Voor dit historische spiegelspel betaalt Neuman echter nog een prijs. Want hoe verwant wij ons ook nog altijd mogen weten aan de romantiek, een aantal van haar consequenties waren in het begin van de 19de eeuw nog zo goed als ondenkbaar. Dat geliefden zich zouden overgeven aan orale seks, zoals Hans en Sophie doen, en daar – nóg erger – ook vrijelijk over zouden kunnen praten, vergt wel érg veel historische fantasie. Dat een provinciale burgerdochter uit Centraal Europa moeiteloos Engels zou lezen (in het cultuurbesef van die tijd een marginale taal) is al even onwaarschijnlijk als dat zij het zou wagen tijdens een bijeenkomst van haar Salon de benen over elkaar te slaan.

Anachronisme is de tol die de lezer in De eeuwreiziger soms moet accepteren ter wille van de dringende actualiteit van het probleem dat Neuman aan de orde stelt. Dat is een klein offer voor een roman die ondanks alle theoretische uitweidingen zeshonderd bladzijden lang blijft boeien. De eeuwreiziger, door Corrie Rasink sprankelend vertaald, bevestigt het talent van een schrijver die door het tijdschrift Granta onlangs werd aangewezen als een van de grote beloften van de Spaanstalige literatuur. Neuman laat erin zien dat een relevante roman méér behelst dan alleen het goed vertellen van een aansprekende anekdote. Hem gaat het om de dilemma’s van een historische periode waarin wij onze eigen dilemma’s herkennen, en daarmee beter leren begrijpen.