Van letters een liefde

Langzaam komen details van een gezicht voorbij. Een stukje wang, een neusvleugel, het begin van een oog en een opvallend sensuele mond. Moniek Toebosch vertelt over haar moeder, terwijl ze met een camera een geschilderd portret aftast. Steeds weer trekt de mooie mond de camera naar zich toe.

Als meisje was Toebosch er al zeker van dat haar moeder de liefste, de mooiste, en eigenlijk ook wel de strengste van alle moeders was. Haar moeder sprak, als Vlaamse, de kinderen die thuis kwamen spelen aan met U en Gij. Persoonlijke herinnering vermengt Toebosch met opmerkingen over verf en de techniek van het schilderen. We kijken zowel naar een moeder als naar verf. We luisteren zowel naar een herinnering als naar een stem, die een zelfportret van Toebosch oproept. Uitvoering en uitwerking, materiaal en interpretatie, worden door Toebosch feilloos tegen elkaar afgezet.

Een twintigtal moeders werd onlangs voorgesteld aan het publiek van Galerie Outline, Amsterdam. Moeders werden bezongen, bejubeld en betreurd. De meeste schrijvers en kunstenaars hadden hun eigen moeder als onderwerp genomen. Ikzelf zei iets over mijn ervaring als moeder, in het gedicht De kinderen, waaronder: roepen dat ze niet op hoofden mogen slaan met pannen en dieren schoppen en deuren en niet op het kleed poepen en er met een trein doorheen rijden en niet je neus aan je broer afvegen en nu moet je echt slapen slápen slaap nu toch eens in je eigen bed en niet schreeuwen niet schreeuwen schrééuw niet zo! Het werd heel stil nadat ik de laatste woorden met enige stemverheffing had uitgesproken. Het publiek schuifelde ongemakkelijk, keek weg. Het was mogelijk niet de bedoeling dat moeders op deze middag uit eigen ervaring spraken.

Frank Starik droeg voor uit zijn net verschenen verhalenbundel De humor van het theezakje. Hij vertelde over een wandeling met zijn moeder naar het station, die als een moeizaam leven voorbij trekt. Zijn moeder heeft bij alles wat ze in het oog krijgt een opmerking, treffend lijzig vertolkt door Starik. Ik weet niet hoe het mogelijk is, maar hij kan een overtuigende vrouwenstem doen klinken en er zijn eigen afgrijzen in laten doorschemeren, alsof je luistert naar een compositie voor twee stemmen. Wanneer de moeder – eindelijk op het station – een grasmatje moet oversteken, vraagt ze zich af of dat wel mag. Of je daar wel op mag lopen. Een groot verdriet beving me. En toch stond ik hardop te lachen om de wereld die Starik uittekent. ‘Die vrouw, die vrouw... die moet dóód’, liet iemand naast mij zich in alle ernst ontvallen.

Raymond van den Boogaard stond op het podium met een voor te lezen verhaal in de hand. Hij vertelde over zijn ouders die kortstondig in dezelfde ‘huiskamer’ van een psychiatrische inrichting belandden. Zijn vader zou zich uit verlangen naar zijn echtgenote – die geen bezoek meer toeliet – als waanzinnig hebben voorgedaan om bij haar in de buurt te komen.

Van den Boogaard heeft geen blik geworpen op het papier in zijn hand. Ik zag blauwe, handgeschreven letters, die door zijn gebaren van het papier leken te dwarrelen. Zou hij terplekke een andere versie van zijn familiegeschiedenis hebben bedacht? Net als bij Toebosch kreeg ik een idee van de ruimte die kan ontstaan tussen materiaal en interpretatie. Tussen alle letters die je kunt herschikken en een onmogelijke liefde.