Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Cultuur

Soms ontsnapt er een leeuw

De film Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives won dit jaar de Gouden Palm in Cannes. Veel critici vinden hem onbegrijpelijk en toch is hij niet moeilijk. Regisseur Apichatpong Weerasethakul maakte een raadsel zonder aanwijzingen. De beloning is betovering.

In de eerste scène is de hoofdrol voor een buffel. Hij wordt van een afstand gefilmd in een groen landschap – groen: dat één woord zoveel schakeringen kan herbergen. De buffel ontsnapt maar wordt weer gevangen. Vervolgens bedrijft een vis de liefde met een prinses, proeven een oude man en een oude vrouw honing, vertelt een aap met rode ogen dat hij de zoon van de oude man is, kijken mensen televisie op een hotelkamer, zit een grot vol lichtjes, lachen soldaten, zingt een monnik in een karaokebar, helpt een neef zijn oom bij het verzorgen van een wond.

Al die dingen gebeuren in Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives (Loong Boonmee raleuk chat), een Thaise film die hier, naar modern gebruik, bij zijn Engelse titel wordt genoemd. Alleen de naam van de oom is niet mee vertaald. Als dat was gebeurd, zou de oom misschien wel John of Jack geheten hebben. Enig gegoogle levert in ieder geval een Thaise voetballer, olifant en hotel met dezelfde naam op. De regisseur van de film, Apichatpong Weerasethakul, laat zich in het westen wel bij een Engelse naam noemen. „Call me Joe”, zei hij vroeger aan het begin van een interview.

Nu weten de meeste interviewers dat wel. De film over ‘oom Jan’ die zich vroegere levens kan herinneren won in mei namelijk de Gouden Palm op het filmfestival van Cannes, een van de meest prestigieuze prijzen die een film kan winnen. Eerdere winnaars waren – onder veel meer – Dancer in the Dark (2000), Wild at Heart (1990) All That Jazz (1980) en M*A*S*H* (1970).

De Palmjury’s hebben het aan het begin van elk decennium in ieder geval beter gedaan dan de Oscar-stemmers. In Los Angeles werden in dezelfde jaren Gladiator, Dances With Wolves, Ordinary People en Patton tot beste film gekozen, films die nu hun glans verloren hebben of vergeten zijn. Maar het gaat nu even niet om kwaliteit. De genoemde Oscar- en Palmwinnaars hebben namelijk iets gemeen dat Uncle Boonmee ontbeert, iets dat deze film apart zet van de films uit beide rijtjes. Die films zijn te begrijpen. Uncle Boonmee is niet te begrijpen.

Dan bedoel ik niet dat de film moeilijk te begrijpen is. Uncle Boonmee is geen wis- of natuurkunde. De film is evenmin het tegenovergestelde. Geen abracadabra of hocus pocus. Het is geen onkunde van de maker dat hij niet te begrijpen is.

Toch haken veel kijkers af bij Uncle Boonmee. In de Franse en Engelse pers en op internet werd na het festival flink gefoeterd op oom B. en de jury van de Gouden Palm. De film was slaapverwekkend saai, pretentieus, duister, doelloos; er was geen touw aan vast te knopen. Tim Burton, de voorzitter van de jury, vond dat misschien ook maar hij benoemde het anders: „Ik waardeer dat het een film is zoals je die gewoonlijk niet ziet, hij is niet westers, met fantasie-elementen gebruikt op een manier die ik nog nooit gezien heb. Het is een mooie vreemde droom.”

Deze woorden hadden voor een deel ook op Burtons eigen films kunnen slaan. Hij verfilmde immers fantastische verhalen als Edward Scissorhands en Alice in Wonderland.

Daar gebeuren nog veel gekkere dingen in dan in Uncle Boonmee. Een aapgeest tegenover een hele planeet vol apen. Maar de gekte in Burtons films is nooit gewoon: iedereen beseft dat er iets geks gebeurt. Een lift die de lucht in gaat is niet gewoon, dat is duidelijk. Wij zijn in onze cultuur nu eenmaal geconditioneerd om kunst te snappen. En daar schort het aan bij Boonmee. Ik citeer een nog welwillende bespreking van de film door Lianne Koorn op de site moviesense.nl: „Misschien is het de Hollywoodformule die mijn filmsmaak grotendeels bepaald heeft, misschien is het mijn Hollandse nuchterheid, maar Uncle Boonmee is een film die mijn imaginaire vermogen te boven gaat. De exotische droomwereld en sprankelende muziek zijn een lust voor het oog en oor, maar verhinderen niet dat je steeds maar probeert te achterhalen wat die vorige levens van Uncle Boonmee nou waren. Het is leuk voor Boonmee dat het hem wel lukt, het was nog leuker geweest als het de kijker ook was gelukt.”

In het slechtste geval is kunst een rebus, in het beste geval een raadsel, in de meeste gevallen een speurtocht met onderweg hints en dwaalsporen en aan het eind een beloning in de vorm van begrip. De kunstcriticus als hopman, het publiek als padvinder. Vaak klopt dat ook nog, omdat kunstenaars er al net zo over denken als hun publiek. De verborgen lagen verbergen ze zelf diep in hun kunstwerken; opdat de kijkers ze weer op kunnen diepen. De vergelijking met god de schepper blijft onweerstaanbaar, maar dan wel met een god die ook de fossielen heeft geschapen, expres, voor onze verstrooiing.

Het zijn niet de minste kunstenaars die op deze manier werk maken. Shakespeare, Hitchcock. Klassieke goden. Met schrijvers als Slavoj Zizek als priester, die spitsvondig uitleggen waar het kunstwerk eigenlijk over gaat. Uncle Boonmee gaat daarentegen nergens over.

Musea en bioscopen zou je kunnen beschouwen als een soort dierentuinen voor kunst.

Een reservaat waar je naartoe gaat om even bij te tanken, om schoonheid op te doen, om taal mooier te horen dan in de werkelijkheid, om beeld schoner te zien dan in de werkelijkheid, om te snappen wat in de werkelijkheid onbegrijpelijk blijft. Maar soms ontsnapt er een leeuw; vliegt een flamingo over de daken. Zo’n ontsnapt dier is de cinema van Apichatpong Weerasethakul. Hij ontsnapt uit het reservaat door van de kijker geen begrip te verlangen. Je mag gewoon kijken. Er zijn geen aanwijzingen, geen dwaalsporen, geen symbolen. Wel associaties, mijmeringen, ingevingen. De beloning is betovering; de werkelijkheid doet zich anders aan je voor. Niet alleen in het reservaat van de kunst doe je schoonheid op, ook daarbuiten, gewoon op straat is dat mogelijk. De flamingo wordt een reiger. Hij hoeft niet te worden gevangen.

Weerasethakul is natuurlijk niet de eerste kunstenaar die deze weg bewandelt. Er is altijd een onderstroom van onbegrijpelijke kunst geweest, van middeleeuwse mystiek tot moderne cinema. Voor ging hem bijvoorbeeld David Lynch, wiens latere films ook onbegrijpelijk zijn. Tim Burton vergeleek Uncle Boonmee met een droom. Het latere werk van Lynch, van Lost Highway tot Inland Empire, is al heel vaak met een droom vergeleken. Lynch kreeg zijn Gouden Palm voor Wild at Heart, een nog wel te volgen film. Daarna werd zijn werk niet meer bekroond.

Waarom Uncle Boonmee wel en Lost Highway niet? Het kan zijn dat het exotische van Uncle Boonmee ermee te maken heeft. De Thaise film is even onbegrijpelijk als de Amerikaanse, maar voor dat onbegrip is een makkelijke verklaring te vinden: wat we niet begrijpen, hadden we vast wel begrepen als we Thais geweest waren. Maar Weerasethakuls films hebben in Thailand weinig succes. Ook daar zijn ze onbegrijpelijk.

’Uncle Boonmee Who Can recall His Past Lives’ is deze week te zien in Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Groningen, Eindhoven en Maastricht. Zie contactfilm.nl.