Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Media

Sint heeft veel gemeen met een horrormonster

Huub Stapel in 'Sint' van Dick Maas Scene uit de film Sint (2010) Foto A-Film
Huub Stapel in 'Sint' van Dick Maas Scene uit de film Sint (2010) Foto A-Film

Als kind vond ik Sint een griezel. Op een foto op de kleuterschool zie ik mijzelf tijdens zijn bezoek achterin de kinderschaar waakzaam de indringer observeren. Vol verwachting over de pakjes, maar mijn god, als ik maar niet op schoot hoef. Zwarte Pieten diende je al helemaal te mijden. Die hebben dat nare opdringerige van clowns.

In de horrorkomedie Sint, op 11 november in de bioscoop, heeft regisseur Dick Maas de goedheiligman tot bloeddorstig monster getransformeerd. Daar is niets mis mee: de truc van horror is alles dat veilig en vertrouwd voelt, gruwelijk en beklemmend te maken.

Zestienjarigen die griezelen over Sint vindt filmmaker Johan Nijenhuis ook geen probleem. Wel startte hij vorige week een actie tegen de filmposters voor Sint op straat. Het gelaat van de goedheiligman oogt op de abri’s als een „combinatie van hellehond en skelet”, schrijft Nijenhuis. Kleuters op ‘gelovige leeftijd’ vinden dat doodeng.

Ik zou Nijenhuis niet als matennaaier willen afdoen, zoals hoofdrolspeler Huub Stapel in deze krant. In een debatje tussen Nijenhuis en Dick Maas botsten twee respectabele pedagogische visies. Maas vindt „dat je kinderen niet van de maatschappij moet afsluiten”. Zo kweek je maar kasplantjes zonder weerstand, lijkt de gedachte. Volgens Nijenhuis moet je kinderen tot een jaar of zes wijsmaken dat de wereld in wezen goed is: pas daarna mag de harde waarheid langzaam tot ze doordringen.

Hoeveel kunnen ze aan? Voor ouders is dat een praktische vraag die ze zich voortdurend stellen. Is ie oud genoeg voor Harry Potter? Is het tijd voor seksuele voorlichting? Van overheidswege aangestelde experts vaardigen over dergelijke vragen graag al dan niet dwingende richtlijnen uit. En in de kwestie Sint kiezen ze overwegend de kant van Nijenhuis. Sinterklaas is voor zesjarigen een icoon, stelt Peter Nikken van het Nederlands Jeugdinstituut. Zij zien geen verschil tussen Sint op tv, de buurman met wattenbaard of die griezel die ze nu vanaf abri’s aangrijnst. Pas met zeven, acht jaar nemen kinderen afstand: als ze niet langer in Sint geloven.

Maar wat we onder ogen moeten zien: een horrormonster als Jason, Freddy Krüger of Leatherface heeft veel met Sinterklaas gemeen. Hij is de Sint voor pubers, als het ware. Vrijwel altijd heeft hij het op stoute kinderen voorzien. Heb je zomaar seks, gebruik je drugs, ben je een pestkop? De kettingzaag erin. In Amerika hebben ze een term voor de enige die een horrorfilm steevast overleeft. ‘The final girl’: een maagdelijk meisje van onbesproken gedrag.

Kleuters, wier ziel nog teer is, maken we bang met een mildere scherprechter: Sinterklaas. Op het heerlijk avondje, als hij het Grote Boek opent, blijkt of jij tot de stoute kinderen behoort. De straffen variëren van een zakje zout, een afranseling met de roe of detentie in de zak. Je haalt als kleuter opgelucht adem als de Sint ook dit jaar jouw rottigheid door de vingers ziet. Maar een griezel blijft hij.

Bang maken hoort bij opvoeding. Alleen zo leren kinderen af om met vreemde mannen mee te gaan of valse honden te knuffelen. Ze met mate schrik aanjagen is ook een discreet genoegen, laten we eerlijk zijn. Maar haal die posters van Sint maar weg. Pubers maak je anders bang dan kleuters.