Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Cultuur

Rietveld ontwierp voor gewone man

Aan de reputatie van Rietveld als provinciale knutselaar moet de tentoonstelling Rietvelds Universum, het hoogtepunt van het Rietveldjaar 2010, nu voor eens en altijd een einde maken.

Rietveld met maquette
Rietveld met maquette

Rietvelds Universum T/m 30-1-2011 in Centraal Museum, Utrecht. Geopend: Catalogus (NAi Uitgevers) € 39,50. ****

„De zigeunerwagen van de moderne architectuur”, noemde Nederlands beroemdste architect Rem Koolhaas ooit het Schröderhuis in Utrecht. ‘Vol’ vond hij het beroemdste gebouw van Gerrit Rietveld: „Vol bedoelingen en bedoelinkjes, het is vol wensen, vol dingen, (...) vol abstracte toeters en vol gesublimeerde bellen.”

Koolhaas’ kritiek op Rietvelds bekendste gebouw sluit aan op een vaak gehoorde opvatting dat Gerrit Rietveld (1888-1964) in de eerste plaats een meubelmaker was die architect werd. Weliswaar was hij de ontwerper van twee modernistische ‘iconen’ – de rood-blauwe stoel uit 1918 en het Schröderhuis uit 1924 – maar de rest van zijn oeuvre was minder baanbrekend en zou in de schaduw blijven van de Grote Helden van het modernisme, zoals Ludwig Mies van der Rohe en Le Corbusier.

Aan de reputatie van Rietveld als provinciale knutselaar moet de tentoonstelling Rietvelds Universum, het hoogtepunt van het Rietveldjaar 2010, nu voor eens en altijd een einde maken. Door niet alleen een groot aantal stoelen, maquettes en tekeningen van Rietveld zelf te tonen, maar ook die van beroemde collega’s als Frank Lloyd Wright, Alvar Aalto, Richard Neutra, W.M. Dudok en natuurlijk Le Corbusier en Mies van der Rohe, willen de samenstellers laten zien dat ook Rietveld een Grote Modernist was. Dat is ze, mede door de fraaie vormgeving in de geest van Rietvelds streven naar de ‘bevrijdende ruimte’, overtuigend gelukt. Rietvelds universum is een schitterende parade van werken in ruimtes die in elkaar overlopen. Op grijze deuren op schragen staan de ontwerpen van Rietveld, op witte die van de andere ontwerpers. En steeds blijkt weer dat Rietveld zich, vaak op originele en experimentele wijze, bezighield met de grote vraagstukken waarvoor twintigste-eeuwse architecten zich zagen geplaatst: industriële fabricage en de massawoningbouw.

Rietvelds universum biedt veel verrassingen. Zo staat, tegenover de tientallen stoelen die Rietveld heeft ontworpen, de eerste buizenstoel, door Mart Stam in 1925 vervaardigd van gasbuizen en triplex platen.

In het gelijknamige boek dat bij Rietvelds universum hoort, laten verschillende auteurs herhaaldelijk zien dat Rietveld de Grote Modernisten in sommige opzichten zelfs overtreft. Hiekje Zijlstra bijvoorbeeld stelt vast dat de glazen gevels van Rietvelds kunstacademiegebouwen in Arnhem en Amsterdam radicaler waren dan die van Mies van der Rohes glazen gebouwen in de Verenigde Staten. Rietveld paste het ‘less is more’ van Mies van der Rohe consequenter toe dan de Duits-Amerikaanse architect zelf en was zo Mieser dan Mies.

Wolf Tegelhoff vergelijkt in zijn bijdrage de huizen van Rietveld met die van Mies van der Rohe en Le Corbusier en komt tot de conclusie dat Rietveld „simpelweg goede huizen wilde bouwen die waren aangepast aan de individuele behoeften van de opdrachtgevers.” Daar waren Mies van de Rohe en Le Corbusier niet echt in geïnteresseerd. „Ze schonken geen enkele aandacht aan het probleem van de woonarchitectuur toen de ultieme oplossing voor alle wereldschokkende vragen eenmaal gevonden leek te zijn.”

Dit verschil tussen Rietveld en de grote helden is ook zichtbaar op de tentoonstelling. Rietvelds ontwerp voor het Philipspaviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel is bijvoorbeeld veel minder spectaculair dan dat van Le Corbusier. Het ontwerp van Rietveld is een aandoenlijk kleine maquette van kartonnen drie- en rechthoeken, het paviljoen van Le Corbusier staat er als een grote, brutale zilverkleurige blob. „Het moet lijken alsof de bezoekers een abattoir ingaan”, zei Le Corbusier tegen Rietveld over zijn ontwerp. „Naar binnen: pang een klap op hun kop en weg.” Uiteindelijk koos Philips voor de klap op de kop van Le Corbusier.

Zo maakt Rietvelds universum duidelijk dat Rietveld weliswaar een Grote Modernist was, maar wel van een andere soort dan Mies van der Rohe en Le Corbusier. Misschien kun je het zo zeggen: Le Corbusier en Mies van der Rohe waren ongenadige modernisten die ontwierpen voor de mensheid, Rietveld was een genadige modernist die ontwierp voor gewone mensen.