Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Religie

Religie is niet waar, maar nuttig

Is religie de moraal waarmee groepen hun samenleven veilig stellen? De Britse wetenschapsjournalist Nicholas Wade meent van wel, maar zijn collega Hendrik Spiering is niet helemaal overtuigd.

Nicholas Wade: Het geloofsinstinct. Het succes van religie. Vertaald door Mieke Hulschbos (How Religion Evolved and Why It Endures) Contact, 334 blz. € 27,95

Er is een groot biologisch raadsel: dat wij mensen een goed gevoel krijgen als we een ander helpen. Zomaar, zonder verwachting van een tegenprestatie. Onze genen mogen even egoïstisch zijn als die van een ijsbeer, in het gewone leven zijn mensen soms opvallend behulpzaam en vriendelijk – ook tegen vreemden.

Hoe kan dat?

Een ander groot mensenraadsel is God. Waarom doen zo veel mensen zó vaak en zó veel aan religie? Atheïsme is een recente uitvinding. Oneindig lang al geloven mensen in het bestaan en in de macht van bovennatuurlijke personen: bosgeesten, engelen, natuurkrachten, goden en zelfs de Onkenbare Ene God.

Waarom? In een intrigerend boek heeft wetenschapsjournalist Nicholas Wade van The New York Times deze twee raadsels verenigd tot één oplossing. Volgens hem is godsdienst (het geloof in en de verering van bovennatuurlijke personen) een oeroude aangeboren truc van de natuur om mensen met elkaar te laten samenleven, en de hulpvaardige moraal te handhaven die de basis vormt voor ons mens-zijn.

Overal ter wereld is godsdienst nauw verbonden met moraal, met de plicht het goede te doen voor de gemeenschap van gelovigen. Bovennatuurlijke wezens fungeren als een onzichtbare overheid. Wade: ‘Zoals taal een methode is om gedachten over te brengen, is religieus gedrag een manier om gedeelde waarden en emoties aan te geven.’ Door natuurlijke selectie is dat voordeel over vele generaties tot een aangeboren godsdienstinstinct geworden.

Met bovennatuurlijke sancties en macht dwong godsdienst gemeenschapszin af. En zoals het taalinstinct leidt tot vele talen, leidt het religie-instinct tot vele godsdiensten – maar de functie en het nut is overal hetzelfde, aldus Wade. Religie is niet waar, maar nuttig.

Voor mensen met een sterk innerlijk geloofsleven heeft Wade nog een ontnuchterende, maar misschien ook bevrijdende boodschap. Want die persoonlijke geloofsbeleving is slechts een toevallig bijeffect van de evolutionair zo cruciale gemeenschappelijke geloofsbeleving.

Een religie-gen is nog nooit gevonden, maar religieuze emoties hebben wel een duidelijke anatomische basis. Uit hersenonderzoek blijkt dat mensen namelijk gemakkelijk een ‘bovennatuurlijke aanwezigheid’ in de kamer ervaren als hun temporaalkwab met magnetische velden wordt gestimuleerd.

Of Wade zelf gelovig is, wordt niet duidelijk uit Het geloofsinstinct. Wel kreeg hij voor zijn boek een subsidie van de religieuze Templeton Foundation, die samenwerking stimuleert tussen wetenschap en godsdienst. Aan het eind van zijn boek pleit Wade weliswaar voor herleving van het verslapte religieuze gevoel in het Westen, maar verder blijft hij redelijk neutraal.

Wade belicht uitgebreid de effecten van godsdienst op het maatschappelijk leven in heden en verleden – en dat zijn de beste delen van het boek. Hij legt overtuigend uit dat het onderlinge vertrouwen van gelovigen sterker is naarmate de godsdienstige plichten strenger zijn. Door zichtbare plichtsvervulling (dieeteisen, kledingvoorschriften) is duidelijk dat de gelovige zich met huid en haar overlevert aan zijn geloof.

Duidelijk is ook dat de oer-religie geen abstracte of subtiele levensfilosofie was, maar een intense en extatische godsdienst: Wade: ‘In het vooroudergeloof van de jagers-verzamelaars brachten mensen hun gemeenschap samen in emotioneel meeslepende drama’s van muziek, chanting en dansen die de hele nacht duurden.’

Natuurlijk is dit oergeloof slechts een artist’s impression. Niemand weet of de mens tienduizenden, misschien wel honderdduizenden jaren geleden zulke dingen deed. Wade haalt zijn informatie uit etnografische beschrijvingen van recente rituelen op de Andaman Eilanden en bij de Kung in de Kalahari-woestijn. Daar wordt veel gedanst.

Dat kan allemaal best. Maar tegenwoordig leidt dit type rituelen ook zonder godsdienstig kader tot een prima groepsgevoel en onderling vertrouwen – zie de ontgroeningsrituelen van corpsstudenten. Ook na een begrafenis is de saamhorigheid vrijwel altijd sterk – of er nu een religieus kader is of niet. Als er destijds al menselijk vermogen tot groepsvorming en morele gehoorzaamheid bestond, los van religie, waarom was er dan nog godsdienst nodig? Je kunt ook dansen zonder god.

Bij Wade gaat het slechts om religie als moreel extraatje. Want ethiek en gemeenschapsgedrag zijn geen uitvindingen van de mens, geeft ook hij toe. Voordat er mensen op aarde rondliepen bestonden er al vrij geavanceerde sociale instincten bij de mensapen, waarover primatoloog Frans de Waal veel heeft geschreven: een basaal rechtvaardigheidsgevoel, het aanleren van groepsregels en zelfs onderlinge hulp zonder directe tegenprestatie. Dáár liggen dus de wortels van onze mensenmoraal volgens veel biologen.

Wade’s onbewezen basisidee is dat die relatief zwakke aapinstincten in de loop van de menselijke evolutie niet meer voldeden. Zijn verhaal is dat ooit ‘individuen zélf begonnen na te denken en te calculeren waar hun eigenbelang lag.’ Door dit nieuwe inzicht moeten er bij de mens veel meer mogelijkheden zijn ontstaan tot oplichting – bijvoorbeeld door mee te liften op de inspanningen van anderen. En dus kwam er een nieuw instinct bovenop de apenmoraal. Dát werd het instinct voor religie, waarbij de handhaving van de moraal verinnerlijkt wordt, door de angst voor straf door onzichtbare en ongrijpbare wezens. Zoals Voltaire al zei: ‘als er geen religie bestond, zouden we het moeten uitvinden’ (om de openbare orde te handhaven).

Ironisch genoeg lijkt het verhaal van ‘de voor de oude moraal te slim geworden oermens’ sterk op het christelijke verhaal van de zondeval. Want ook in het Bijbelse paradijs leidde de keuze voor de boom der kennis tot openbareordeproblemen, met alle gevolgen van dien.

Wade heeft wel gelijk als hij betoogt dat ooit de mens een soort overgangsfase in een sociale structuur moet hebben doorgemaakt. Hij schetst hoe de meeste mensapen nog altijd zuchten onder de dictatuur van de Alfaman, die de baas is en ook de meeste vrouwtjes krijgt. Bij oermensen is juist een egalitaire wereld ontstaan. Pas in de landbouwtijd, zo'n tienduizend jaar geleden, kwamen er koningen, opperpriesters en generaals. Maar de oude gelijkheid (nu van mannen én vrouwen) is nog steeds de basis van de mensensamenleving.

Hoe problematisch ooit die overgang was van apendictatuur naar mensengelijkheid, is onduidelijk. Even goed heeft deze dramatische ontwikkeling zich miljoenen jaren vóór de groei van het mensenverstand afgespeeld. Dan zou het oude apen-morele-instinct geleidelijk hebben kunnen meegroeien met de veranderende mens. Volgens sommige paleontologen had onze extreem verre voorouder Ardipithecus (vier miljoen jaar oud) al een vrij egalitair sociaal systeem. De eerste echte mensen, met meer verstand, ontstonden pas zo’n twee miljoen jaar geleden (Homo erectus).

Verder weet geen mens hoe oud religie eigenlijk is. De oudste onmiskenbare bewijzen stammen uit het begin van de landbouwtijd, slechts zo’n 10.000 jaar geleden. En hoewel Wade het wel probeert, is het vrijwel ondoenlijk om vast te stellen of volkeren met een fel geloof het beter doen of deden dan hun lauwere buren. Gingen de Azteken ten onder omdat hun wreedheden tegen de omliggende volkeren uit religieus fanatisme voortkwamen of omdat ze niet meer konden ontsnappen uit een verkeerde politieke strategie? We weten het niet, religie is te diep geworteld in menselijke cultuur.

Wade staat in een lange traditie van religieverklaringen. Zijn boek is een uitwerking van de idee dat religie zorgt voor de sociale orde, waarnaar ook Voltaire al hintte. Het is ook de klassieke verklaring uit de sociologie, waarin godsdienst de verering is van de morele samenleving. Een andere verklaring is dat de mens godsdienst uitvond omdat hij verklaringen wilde voor natuurverschijnselen zoals regen, onweer en aardbevingen.

De meest actuele wetenschappelijke verklaring voor godsdienst is dat het hier gaat om een cognitieve illusie, een misleidende gedachte die meelift op kenmerken van het brein, maar zelf niet nuttig of functioneel is. Het meest precies is deze stelling onderbouwd door antropoloog Pascal Boyer in Religion Explained. The Evolutionary Origins of Religious Thoughts (2001). Volgens Boyer ontstaat religie uit de combinatie van twee andere, wél cruciale en aangeboren eigenschappen van de mens. Ten eerste het sterke morele groepsgevoel (dat in Boyers visie dus geen extra ondersteuning van religie nodig heeft) en ten tweede de menselijke neiging om achter bijna alle verschijnselen ‘mensachtige personen met motieven’ te vermoeden.

Met Boyers theorie kun je ook beter begrijpen dat er atheïsten bestaan. In Wades wereld moeten die toch een soort genetische afwijking hebben. Zo heeft Wade wel een fascinerend boek geschreven, maar de definitieve verklaring voor al die religieuze passie is het niet.