Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Milieu en natuur

Puur natuur is een pure leugen

Het filmfestival Wildscreen in Bristol toont elke twee jaar de beste natuurfilms. Maar wat is een natuurfilm nog als de natuur verdwijnt?

Scène uit 'Hyena Men' van Andrew Graham Brown
Scène uit 'Hyena Men' van Andrew Graham Brown

Een oude orang-oetan in een ziekenhuisbed. Uit een infuus druppelt vocht in haar poot. Het beest, dat Green is genoemd, is stervende. In deze kamer, in het Borneo Orangoetan Survival-opvangcentrum op Kalimantan, zat de Franse filmer Patrick Rouxel vier weken naast Green en filmde het vrijwel onbeweeglijk liggende dier, vooral haar ogen. In de film die hij naar haar noemde, doorsnijdt hij de close-up van de apenogen met de verwoesting van het regenwoud. Motorzagen grijpen de woudreuzen, daar gaat het hout, de hele productieketen door, om te eindigen als tuinmeubilair of papier. Op de verwoeste grond verrijst een schaakbord van percelen oliepalmen, bestemd voor biodiesel, voedsel en cosmetica. Een laatste boom staat verdwaald in de nieuwe slagorde, een gedesoriënteerde moeder orang-oetan met haar baby in de top. Van dik hout zaagt men planken, denkt de kijker misschien nog cynisch en onwillig. Maar toch: wegkijken lukt even niet meer.

„De relatie tussen moeder en kind”, zegt Patrick Rouxel, gevraagd of hij het er niet té dik bovenop legt, „vind ik het aller- allermooiste uit de natuur. Als je kijkt hoe dierenouders met hun kinderen omgaan, hoe een jong olifantje speelt met zijn slurf, dat is zo hartverscheurend mooi. Voor mij zijn het de dieren, die beter dan de mens weten wat leven is.”

Subtiel kun je Rouxels film, met de lijdende dieren- en de vernietigende mensenwereld, dus onmogelijk noemen. Toch is hij poëtisch, door de schoonheid van de beelden en het ontbreken van commentaar. Effectief is de film ook. Afgelopen week won Green de Gouden Panda, de grote prijs van het tweejaarlijkse natuurfilmfestival Wildscreen in de Engelse stad Bristol, zo’n beetje de Oscar van de natuurfilm.

Rouxel is eigenlijk helemaal geen filmmaker. Hij is een editor die er af en toe in zijn eentje met een filmcamera op uittrekt, het regenwoud in, om een film te maken die hij grotendeels zelf financiert. Iedereen mag de film gratis van een site downloaden. Green is aan zo’n vijf landen verkocht, maar zijn eerdere, soortgelijke films hadden weinig succes, zegt Rouxel. Toch is hij niet bang dat kijkers afhaken omdat hij de boodschap er te veel inhamert. „Daar houd ik mij niet mee bezig. Ik maak wat ik wil maken, buiten het systeem om. De film reflecteert wat ik voel als ik in het woud ben, met zoveel schoonheid om me heen, en vervolgens mijn schaamte en woede over de vernietiging die de mens teweegbrengt.”

Dát Green de prijs won, is niet zo gek. Het genre natuurfilm lijkt onverwoestbaar, maar onder de makers ervan heerst onbehagen, bleek tijdens een paar dagen Wildscreen. Want onverwoestbaar is de natuur zelf allerminst.

Natuurdocumentaires zijn een vaste humuslaag van de hedendaagse tv-programmering, omdat ze relatief goedkoop zijn om te maken, en je kunt er lang mee verdienen. Ze overschrijden moeiteloos taal- en cultuurbarrières en raken niet snel gedateerd. Discovery Communications, de maatschappij die behalve Discovery ook Animal Planet bezit, maakte in het tweede kwartaal van dit jaar 372 miljoen dollar winst. Tot zover niets aan de hand. Maar hoe ‘natuurlijk’ is het vermenselijken van de stokstaartjes uit het immens populaire, in meer dan zeventig landen uitgezonden Meerkat Manor? Met digitale manipulatie zijn twee rennende buffels zo in een kudde te veranderen, en ook David Attenborough filmt, als het niet anders kan, met dieren die aan mensen gewend zijn, in aquaria en dierentuinen. Hoe realistisch zijn schitterende BBC-producties als Planet Earth (2006) en Life (2009) als ze niets zeggen over het feit dat één op de drie zoogdiersoorten en één op de vier reptielensoorten bedreigd wordt? Is puur natuur in beeld zo langzamerhand niet: een pure leugen?

Geen wonder dat de stapel exemplaren van het boek Shooting in the Wild, An insider’s account of making movies in the Animal Kingdom van filmmaker Chris Palmer tijdens Wildscreen in een paar uur tijd was uitverkocht. „Er verandert zo veel in ons vak, dat mensen behoefte hebben aan een leidraad”, zei Palmer daarover. „Aan allerlei kanten wordt de druk groter.”

Filmmakers moeten schipperen tussen de krimpende budgetten van producenten, toenemende concurrentie op het scherm en tanende belangstelling van de kijker. 40 procent van de kinderen in Hongkong schijnt nog nooit een voet in een bos te hebben gezet. Aan de verontrustende boodschap dat het met die natuur helemaal niet zo goed gaat, valt in die context misschien eigenlijk al niet meer te beginnen.

Toch is onze behoefte om naar dieren te kijken nog steeds onuitputtelijk. Bij de BBC weten ze daar alles van. Sinds 1957 scheidt de ook in Bristol gevestigde National History Unit (NHU) van de BBC een stroom klassieke natuurfilms af, ook wel ‘Blue chip’-film genoemd: series als Life en Planet Earth, vol schitterende beelden, met steeds geavanceerder techniek gemaakt, en met als presentator de onverwoestbare tachtiger Sir David Attenborough, die u het diergedrag uitlegt. Nog steeds zijn vooral Britten daar goed in: de wonderen der natuur, tot u gebracht met die mengeling van educatie en warmte die het kenmerk is van de BBC. „Dat is toch ons werk, magie brengen met onze camera’s?” vroeg een filmer, bijna wanhopig, tijdens een debat over ethiek, uitsterven en kijkersbedrog.

In tijden van goedkoop massa-entertainment investeert de BBC anachronistische hoeveelheden geld, tijd en expertise in dit type projecten. Aan Planet Earth werd vijf jaar gewerkt. De serie, de eerste die geheel in High Definition werd gefilmd, kostte 26 miljoen dollar, er werd door 71 cameramensen op 204 locaties in 62 verschillende landen gefilmd. Na twee jaar was de serie in 130 landen vertoond. De tot nu toe geschatte opbrengst is 40 miljoen.

Prachtig en belangrijk, en de top van het vak. Maar, zo viel te bespeuren in de wandelgangen van Wildscreen, en bij allerlei debatten: moet niet veel beter getoond worden dat dat schier oneindig ogende, maagdelijk regenwoud op uw scherm als dat zo doorgaat over een paar decennia verdwenen zal zijn? Het hoofd van de NHU, Andrew Jackson, vindt van niet. „Natuurlijk is de boodschap van zo’n film: weest u gerust, de natuur is prachtig en alles is met haar in orde. Toch zullen wij deze films zo lang mogelijk blijven maken. Blue Chip-films zitten in het DNA van de BBC. Het is de klassieke taak van de natuurfilm: je ziet dingen die je in het echt nooit zo kunt zien. Je krijgt een traktatie. En dat geeft je misschien de impuls om de natuur te willen behouden.”

De BBC doet hard haar best, zegt Jackson, om op de website en met extra programma’s achter de schermen uit te leggen hoe het echt zit. Maar is dat genoeg? „Ik zou Life geen fictie noemen, maar escapisme is het wel”, zegt cameraman Doug Allen, die delen van Planet Earth filmde.

De missie van Wildscreen is: natuurbehoud stimuleren via natuurfilms. Maar of het één invloed heeft op het ander valt te betwijfelen. Er zijn talloze films over leeuwen en tijgers gemaakt, en toch is hun aantal in een paar decennia gedecimeerd. Anderzijds zei de directeur van het Wereld Natuur Fonds, James Leape, tijdens het festival dat zijn organisatie met meer gemak politieke druk kan uitoefenen om de geplande snelweg door de Serengeti in Tanzania tegen te houden. „Iedereen kent de Serengeti”, zei hij. „Doordat daar zo ongeveer de meeste natuurfilms ooit zijn gemaakt.”

In zijn boek geeft Palmer een fascinerend inkijkje in de praktijk van de natuurfilm. Belangrijkste les: de camera liegt best vaak. Na verschillende beschuldigingen van in scène zetten en manipulatie (in zijn recente serie Life nog in de confrontatie van Attenborough met een gifspuwende cobra) heeft de BBC alle medewerkers verplicht op cursus gestuurd en een lijst met richtlijnen opgesteld. Ook Patten komt met aanbevelingen aan het slot van zijn boek, over het niet verstoren van dieren, biologische accuratesse (niet de nadruk leggen op vleesetende chimps als vlees in werkelijkheid maar 2 procent van hun dieet uitmaakt) en duidelijkheid over in scène zetten. Eigenlijk, vindt hij, zouden natuurdocumentaires altijd voorafgegaan moeten worden door een disclaimer die aangeeft hoe de film gemaakt is.

In de voorbije twintig jaar heeft de eerbiedwaardige, educatieve natuurdocumentaire gezelschap gekregen van wat inmiddels een permanent circus op meerdere kanalen is, tv-programma’s vol ‘jaws and claws’, waarin krokodillenworstelaars, berenmaniakken en gifslangenzoekers de confrontatie met de dierenwereld zoeken. Palmer heeft geen geduld met de talloze navolgers van wijlen Steve Irwin (een van de pioniers in het genre, de ‘crocodile hunter’ die voor de camera’s met reptielen worstelde totdat hij in 2006 door een giftige pijlstaartrog werd doodgestoken); niet alleen provoceren zij dieren, ook worden reptielen en grote zoogdieren neergezet als voortdurend agressief en bloeddorstig. Dat heeft niets met natuurwetenschap en alles met de aloude aantrekkingskracht van geweld te maken. „Dat soort films is eerder een voortzetting van wat er plaatsvond in de Romeinse amfitheaters”, citeert Palmer een collega in zijn boek. Maar juist die continuïteit in de geschiedenis geeft aan dat Discovery en National Geographic hier een onuitputtelijke inkomstenbron te pakken hebben.

Nieuwer dan de shockdocs, die in de jaren negentig tot bloei kwamen, zijn de zachtaardiger programma’s met species mens in de hoofdrol, vaak over natuur dicht bij huis, of over zielige, verwaarloosde dieren. Naast het substantiële aandeel agressieven haaien en leeuwen volgen Animal Planet en National Geographic tegenwoordig dus ook non-stop de gangen van ‘animal cops’, dierenartsen en hondenfluisteraars. De kijker kan rustig gaan slapen, de animal cops waken over hem en bestrijden het kwaad.

Een andere vorm van de vermenselijking van natuurfilms is dieren simpelweg te casten in een dierensoap, dierenthriller of ‘dierenchickflick’. Toen ‘Flower’, koningin van de Whiskers-troep uit Meerkat Manor in 2007 om het leven kwam na een slangenbeet, opende Animal Planet een rouwpagina op internet en treurden duizenden kijkers. Op Wildscreen waren episodes te zien uit het recentere Monkey Thieves, waarvoor brutale bendes makaken in de Indiase stad Jaipur gevolgd worden bij hun jatwerk, inbraken en algeheel overlastgevend jongerengedrag. Maak kennis met ‘koningin Rani’, ‘lastige pubers’ Bipin, Yash en Tito, en ‘nieuwe baas’ Kamal!

Het doel heiligt de middelen, zegt Harriët Nimmo, directeur van het Wildscreen-festival. „Zo lang het biologisch correct is, heb ik geen moeite met het vermenselijken van dieren. De concurrentie met andere vormen van entertainment is keihard. Ik vind het het belangrijkste dát mensen in contact komen met de natuur.”

Het kan zijn dat Nimmo gelijk heeft. Het gros van de mensheid woont in steden, kent planten uit perken en dieren uit de dierentuin en van tv. Misschien is dat dan voortaan de rol van de natuurfilm: het vermenselijken van dieren, omdat we ze anders niet willen zien of erkennen.

Zo zingt de dierenfilm zich los van de dieren. Op een bepaalde manier is dat logisch. Als het zo doorgaat bestaan sommige soorten binnenkort tenslotte enkel nog op uw scherm. Het Living Planet Report 2010 van het Wereld Natuur Fonds, gepresenteerd tijdens Wildscreen, becijfert hoe sinds 1970 de meeste soorten met ruwweg eenderde achteruit gingen. Spiegelende grafieken tonen de opkomst van de palmolie-industrie en de neergang van de orang-oetan. Niet alleen dieren, ook de meeste ecosystemen moeten dringend aan het infuus. Maar: niet alleen orang-oetans, maar ook mensen zijn van die ecosystemen afhankelijk.

Zijn daar dan echt geen goede films over te maken? Moeten we het alleen doen met natuursprookjes en klauwencircussen?

Niet helemaal. Op Wildscreen waren een paar films te zien die op een zinnige manier iets toonden van, vooruit, de verhouding tussen mens en dier aan het begin van de 21ste eeuw. Monkey Thieves, met zijn makaken die niet weten wat ze in een regenwoud zouden moeten doen, maar zich perfect hebben aangepast aan het stadsleven, is hiervan een voorbeeld. Interessant was ook Gorilla Murders, een politiefilm over de moord op vier gorilla’s in het Virunga National Park in Congo, waar warlords heersen en het regenwoud vooral gezien wordt als een goede bron van houtskool. Via de zoektocht naar de moordenaars toont de film een broeinest van corruptie geweld en anarchie met de gorilla’s als inzet – een mooie hybride tussen de eisen van entertainment en een analyse van het lot van de 720 resterende gorilla’s op aarde.

En dan was er nog Hyena Men, een Britse film uit het holst van de Nigeriaanse hoofdstad Lagos, vol schokkende beelden van een ploeg straatartiesten die rondtrekt met bavianen, hyena’s en gifslangen, middeleeuws entertainment anno 2010. De maker, Andrew Graham Brown, was er zelf ongelukkig mee. Geperst in het format van Discovery, met beukende muziek, was het een platte film geworden over een Nigeriaanse groep Steve Irwins, vond hij. Terwijl wat hij had wíllen maken, een ‘veel intellectuelere film’ zou zijn geweest: de Hyena Men als metafoor voor het leven in Lagos, en wie weet, de toekomst van de planeet.

Het waren dan ook de beelden uit Hyena Men die het langst bleven hangen. Potsenmakers dolend in het onmetelijke verkeer en de vervuiling van een helse urban jungle. Menselijke en dierlijke hyena’s, verbonden door een rafelig touw, verwikkeld in een uitzichtloze overlevingsstrijd. Een honds bestaan voor alle partijen.

‘Green’ is te downloaden via greenthefilm.com. Een clip van ‘The Hyena Men’ is te zien via agbfilms.co.uk. Het boek ‘Shooting in the Wild’, door Chris Palmer, is uitgekomen bij Sierra Club Books, San Francisco. Van ‘Monkey Thieves’ en ‘Meerkat Manor’ zijn op internet veel scènes te vinden. Zie ook wildscreenfestival.org