Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

Hij kijkt of hij erover schrijven kan

Zo veel mogelijk verhalen voor de poort van de dood wegslepen – dat nam Herman Franke zich voor toen hij hoorde dat hij ongeneeslijk ziek was. Hij krijgt de lezer nog één keer precies waar hij die hebben wil, stelt Janet Luis vast.

Tekening Martien Bos
Tekening Martien Bos

Herman Franke: Traag licht. Voorbij ik en waargebeurd. Deel 3. Podium, 256 blz. € 21,50

Helemaal aan het eind van Traag licht, de laatste postuum verschenen roman van Herman Franke (1948-2010), is een mooie, droge passage te vinden over een stervende vader. Deze vader kennen we uit eerder werk van Franke. Een kleine middenstander, een meubelstoffeerder. Een tamelijk fletse figuur met weinig tekst. Als hij zich verlegen voelde met een situatie en niets meer te zeggen wist, dan nam hij vaak zijn toevlucht tot de Groningse verzuchting ‘tou moar’. Maar op zijn sterfbed, zo lezen we, steeg hij boven zichzelf uit. Hij wees de bijstand van dokter en priester resoluut af. Voor het eerst keek hij eens goed naar zijn zoon, de schrijver, die zenuwachtig door de sterfkamer drentelde. En hij dreef de spot met hem. ‘Kiek, hai vroagt zich oaf wat e dr over schrieb’n kin.’ De zoon voelde zich betrapt.

Deze scène in een sterfkamer roept vanzelf de vraag op hoe Herman Franke tegen zijn eigen naderende dood aankeek, nadat de fatale diagnose prostaatkanker was gesteld. In het interview (met Toef Jaeger) dat achterin het boek is afgedrukt, doet hij daar duidelijke uitspraken over. Aan zijn leven zou veel eerder dan verwacht een bruut einde komen, maar hij zag toch ook een bepaalde bekoring in de noodzaak om zijn werk en leven voortijdig af te moeten sluiten. Hij zag zich gesteld voor de taak om nog zoveel mogelijk verhalen ‘voor de poort van de dood weg te slepen’. Werkeloos toezien hoe hij ‘eraan’ zou gaan, was in elk geval geen optie.

Wat is nu zo bijzonder aan Traag licht? Het grote thema is hier niet de dood of de noodzaak om afscheid te nemen. Ook biedt het geen inkijkje in de kunst van het sterven. Het gaat juist helemaal, op de van Franke bekende onsentimentele manier, over het leven zelf, dat gewoon doorgaat alsof er niets aan de hand is. Franke schrijft zoals hij altijd al schreef, misschien door de haast die hij had, alleen wat luchtiger en soepeler en dus net wat minder verknoopt dan anders. Dat zou je zelfs winst kunnen noemen.

Dat betekent niet dat Franke hier alles maar laat waaien. Meer nog dan in de voorgaande twee delen van de trilogie, Voorbij ik en waargebeurd, legt hij de nadruk op het fictieve karakter van ‘deze zwanezang’. Hij koos voor een speels dubbelperspectief: ‘de baas en ik’. De baas is, om zo te zeggen, de lichamelijke afsplitsing van Franke, over wiens steeds wankelere conditie wij af en toe in een paar zinnen worden bijgepraat. Pijn, koorts, morfine. Een ziekenhuisopname. Wel in een kamer apart omdat ‘de baas’ nu eenmaal geen man is van ‘campingpraatjes’. De naamloze ‘ik’, ‘de portretschrijver’ zoals hij zichzelf ook wel noemt, is de verteller, de eigenlijke hoofdpersoon van het boek. Hij geeft regelmatig blijk van ontevredenheid over de gang van de zaken. ‘Goed, hij heeft me geschapen. Moet ik me daarom door hem laten afmaken? Ik begon net lekker op gang te komen. [...] Ik rekende op wel tien delen. [...] En nu zou ik ineens mijn bek moeten houden?’

Onvermoeibaar

En dus rijgt de ik, terwijl de baas steeds verder aftakelt, het ene verhaal onvermoeibaar aan het andere. Net als in De verbeelding (1998) en Zoek op liefde (2008) is een toevallig gevonden naaktportret van een meisje van lang geleden de aanleiding tot een grootscheepse, steeds verder uitwaaierende zoektocht, die begint op het Waterlooplein en eindigt in de grotten van Lascaux. Het lijkt me geen toeval dat de verbeelding hier in gang wordt gezet door een allang overleden meisje, dat in deze voor de poort van de dood weggesleepte roman met inzet van alle mogelijke middelen weer tot leven wordt gewekt.

De verteller verstrikt ons, al associërend en links en rechts verwijzend naar eigen en andermans verhalen, in een kleurrijk web van waargebeurde en verzonnen geschiedenissen. Zo is er een verhaal over een paar bouwvakkers die een hoogopgeleide, maar sociaal niet al te slimme vrouw het zwijgen opleggen met een cirkelzaag en een radio. Of het verbluffende verslag van de politie-inspecteur die ruim honderd jaar geleden in vermomming hoeren interviewde in Amsterdam. Ook had ik wel een hele roman willen lezen over de statistisch onderlegde gokverslaafde die zijn salaris elke maand naar de fruitautomaat brengt. Aangrijpend is ook de geschiedenis van de gehandicapte bizontekenaar in Lascaux, die een meisje hoopt te versieren met zijn grotkunst.

Deens strand

Steeds krijgt de verteller mij waar hij mij hebben wil. Op een Deens strand, waar al gauw een reddingsoperatie nodig is. Op het Zuiderdiep in Groningen, waar de familie elkaar weer eens in de haren vliegt. In de Verenigde Staten waar een onvermoede biologische dochter blijkt rond te lopen. Op de Grote Markt in Brussel waar een geheime ontmoeting plaats heeft met een vroegere geliefde. Op een bijeenkomst voor stereofotografen in Huissen. Of in Zuid-Frankrijk waar na veel naspeuringen dan toch eindelijk de achtergrond en identiteit van het lichte meisje Mathilde worden onthuld.

Wat Franke in Traag licht nog één keer laat zien, is dat de geest sterker is dan het lichaam, en de verbeelding nog net iets machtiger dan een slopend ziekbed. Het leven wordt hier met een resolute schrijvershand stilgezet of juist versneld. Het licht wordt naar believen vertraagd. Nu ‘de baas’ is geveld, zullen er geen nieuwe verhalen volgen. Maar zijn montere ‘ik’, zijn rusteloze ziel en zijn veelstemmige, literaire nalatenschap behoren aan de nieuwsgierige lezers van nu en later. Tou moar, horen we iemand heel in de verte zachtjes mompelen.