Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

Een leven lang lobbyist voor de Europese zaak

De woensdag overleden oud-diplomaat Max Kohnstamm (96) geloofde in Europa als wegbereider tot wereldvrede.

Max Kohnstamm © en Foto: Vincent Mentzel
Max Kohnstamm © en Foto: Vincent Mentzel

Joop Meijnen

De samenstellers van het vriendenboek, dat in 2004 ter gelegenheid van zijn negentigste verjaardag verscheen, hoefden over de titel niet lang na te denken: ‘Een leven voor Europa’. Daarmee was, in al zijn eenvoud, de aardse missie van de woensdagavond op 96-jarige leeftijd in Amsterdam overleden oud-diplomaat Max Kohnstamm treffend gevat. Hij geldt als een van de grondleggers van wat nu de Europese Unie is.

De geboren Amsterdammer Kohnstamm (joodse vader, protestantse moeder) groeide op in een progressief liberaal milieu. Hij was de vijfde in het gezin met zes kinderen. Zijn eerste bezoek aan de Verenigde Staten van Amerika – in 1939, hij was toen 25 – noemde hij later beslissend voor de richting waarin hij een oplossing voor de oorlogen die in Europa woedden. Tot zijn dood zou hij zich een even charmant als hartstochtelijk pleitbezorger betonen van Europese integratie, die uiteindelijk moest uitmonden in een soort Verenigde Staten van Europa.

Maar met één groot verschil: het was uitdrukkelijk níet de bedoeling van Kohnstamm en diens politieke roerganger Jean Monnet om een nieuwe grootmacht te scheppen. Zij zagen integratie als een vreedzame methode om een revolutionaire verandering in de verhouding tussen staten teweeg te brengen – eerst in Europa.

Dit ‘hogere doel’ moest een uitweg bieden uit het in hun ogen heilloze balance-of-power-denken. Het rotsvaste geloof in dit ideaal, gebaseerd op het beginsel ‘recht boven macht’ en te beginnen met Europa als wegbereider tot wereldvrede, heeft Kohnstamm zijn lange leven lang uitgedragen – eerst (1952-1956) als ijverige rechterhand van Monnet (de Hoge Autoriteit van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in Luxemburg, daarna (1956-1975) als fervent lobbyist voor de Europese zaak en ten slotte als eminence grise in het publieke debat over Europese kwesties. Met wisselende respons: voor PvdA’er Frans Timmermans gold hij als „een bron van inspiratie”; VVD’er Frits Bolkestein zei „allergisch” te zijn voor zijn „eurogezwemel”.

Halverwege de jaren vijftig was – te midden van oplopende dreigingen rond Suez, Hongarije, Algerije, Sovjet-Unie en nucleaire bewapening – de vraag of de zes EGKS-landen (Duitsland, Frankrijk, Italië en de Benelux) erin zouden slagen hun ‘bovenstatelijke’ samenwerking uit te breiden.

Op de voorgrond streden de bewindslieden (Adenauer, Spinelli, Spaak, Luns), op de achtergrond smeedden hun diplomaten een akkoord. Daarin speelde Kohnstamm, met name dankzij zijn goede relaties met de West-Duitse regering, een cruciale rol.

Niet alleen in zijn jaren als vertrouweling van Monnet, ook daarvoor en daarna maakte Kohnstamm voornamelijk carrière op het tweede plan: direct na de oorlog – tussen 1942 en 1944 zat hij gevangen in de kampen Amersfoort en St. Michielsgestel – als particulier secretaris van koningin Wilhelmina, vervolgens als assistent van regeringscommissaris Hirschfeld (Marshallplan), en na zijn Luxemburgse jaren als secretaris-generaal en later vicepresident van de door Monnet opgerichte lobbygroep Actiecomité voor de Verenigde Staten van Europa. Twee keer droeg hij wel hoofdverantwoordelijkheid: in de jaren 30 bij het Amsterdamse studentencorps en in de jaren 70 als eerste president van het Europees Universitair Instituut in Florence. Maar „dat waren uitzonderingen”, schreven zijn biografen Harryvan en Van der Horst in 2008, „vaker was sprake van – bewust gekozen – terughoudendheid”.

Die manifesteerde zich ook toen hij in het najaar van 1956 werd gepolst voor het burgemeesterschap van Amsterdam. Hem werden, ook buiten zijn partij (PvdA), goede kansen toegedicht als opponent van Van Hall. Maar hij bleef zijn Europese roeping trouw en bedankte voor de kandidatuur.

In 1975 keerde Kohnstamm de PvdA de rug toe, uit protest tegen uitlatingen van partijvoorzitter Ien van den Heuvel over de „historische noodzaak” van de Berlijnse Muur. Voor iemand die er zijn levenswerk van maakte om de deling, waarvan die muur het symbool was, juist te overwinnen, was dat een onvergeeflijke blunder.