Doe die man een pa-pa-tat

Je mag een stotteraar best helpen als hij blijft steken in een zin. Het echte probleem ligt dieper, want uiteindelijk wil iedere stotteraar graag laten zien wie hij is.

Tweehonderdduizend mensen in Nederland zorgen dagelijks voor oponthoud bij de kassa, leggen vergaderingen dood en betrekken anderen ongewild in woordraadsels. Vandaag pleiten hun patiëntenverenigingen op Wereldstotterdag voor nóg meer geduld: maak hun zinnen niet af.

Campagneposters vertellen waarom: als een stotteraar ‘pa-pa-pa’ hakkelt, bedoelt hij misschien geen ‘pasta’ maar ‘patat’. De Nederlandse Federatie Stotteren doet iedereen nu geloven dat aanvullen een wijdverbreid euvel is. Maar dat valt mee: toehoorders weten doorgaans heel goed wanneer een stotteraar wel of niet met een aanvulling geholpen is. Even een klinker kopen, zoals bij het Rad van Fortuin gebruikelijk was, kan een stotteraar van een zekere verstikking redden. Vergelijk het met een cd-speler: als die één keer overslaat grijp je niet in, maar blijft de muziek echt hangen dan is een ferme tik op zijn plaats. We hebben tenslotte niet de hele dag de tijd.

Toch worden stotteraars doorgaans niet geschoffeerd, maar juist overdreven vriendelijk behandeld. Vooral door de mensen die niet laten blijken dat een stotteraar detoneert, die uit beleefdheid alle geduld opbrengen en voorzichtig vragen hoe ze het beste met de hakkelaar kunnen omgaan. Ik kan het weten. Wereldstotterdag viel voor mij vroeger in de dagen vlak voor Kerst. Na een jaar kranten bezorgen deed ik mijn ronde langs de abonnees om de beste wensen over te brengen. Ik haalde steevast een paar honderd gulden meer aan fooien op dan de andere krantenjongens. Het kwam zelfs enkele keren voor dat abonnees in de veronderstelling verkeerden dat ik geen bezorger was, maar een collectant voor één of ander stotterfonds. Een deuk in mijn beroepseer, maar wel lekker een duit extra. Dit raakt de kern van het probleem. Hoe correct een stotteraar ook behandeld wordt, de relatie tussen hem en een vloeiendspreker blijft een ongelijkwaardige.

De spreekhandicap wordt weleens vergeleken met een ijsberg. Het idee wil dat slechts een tiende van het stotteren – net als een ijsberg – waarneembaar is en dat het overgrote deel onzichtbaar onder water ligt: de spanningen, het vermijden van situaties en het gebruik van synoniemen.

Dat laatste is het geval bij de 26-jarige, stotterende Sanne Hans, beter bekend als de rockzangeres Miss Montreal. In de NCRV-documentaire Als de adem stokt, die regisseur Barbara den Uyl heeft gemaakt naar aanleiding van Wereldstotterdag (uitzending aanstaande maandag), spreekt Sanne met stotterende tienermeisjes over haar spraakhandicap. „Ik zeg nooit echt wat ik wil zeggen, omdat ik er altijd een beetje omheen draai”, bekent Sanne. Die truc geeft haar, ondanks het gestotter, een zelfverzekerde indruk. „Ik lul alles aan elkaar en dan denk ik – ik wil dat helemaal niet zeggen.”

Dat stotteraars als Sanne wel vloeiend kunnen zingen komt omdat het geen gewone communicatie is. Ook het nazeggen van zinnen kost stotteraars weinig moeite. Het spraakmotorisch systeem wordt dan minder geprikkeld. Sanne kan zich aardig redden met haar gestotter. Jochem iets minder. In de documentaire zegt zijn moeder: „Hij zal altijd wachten tot iemand wat aan hem vraagt en geeft daar dan vrij kort antwoord op. Als je daar niet verder op ingaat, dan is het voor hem ook klaar.” Waar Jochem zich beperkt tot het strikt noodzakelijke, daar geeft Sanne de voorkeur aan een gezellig, maar inhoudelijk minder relevant gesprek.

Hoewel dit laatste sociaal gezien de voorkeur verdient, vervormt het stotteren bij zowel Sanne als Jochem hun ware aard. Typerend is de manier waarop een vader het stotterprobleem van zijn zoon duidt: „Je wordt geremd in je hele doen en laten.”

Als de remmen losgaan wordt het gênant. Ik moet vijftien geweest zijn, verzamelde mineralen en wilde een beurs bezoeken. Na moed verzameld te hebben, draaide ik het telefoonnummer van de organisatie. Voor mijn doen ging het praten aardig; ik was verstaanbaar en kreeg de informatie die ik wilde. De domper kwam met de toezegging om ‘een plank over de drempel te leggen’. Waarom, vroeg ik. „Zodat je er met je rolstoel overheen kunt rijden.”

In mijn geheugen gegrift staat ook de keer dat ik aan een bar een ingewikkelde bestelling doorgaf. Al bij de eerste lettergreep trokken de spieren in mijn bovenlichaam zich samen en sloot ik mijn ogen vanwege de spastische trekken in mijn gezicht. Na een minuut was ik klaar. De medewerker stond inmiddels aan de andere kant van de bar een bestelling op te nemen. Een tweede bestelling gaat overigens gemakkelijker, want hoe meer alcohol een stotteraar drinkt hoe vloeiender hij praat.

Het grootste probleem is dat ik ook vloeiend kan praten. Ik weet hoe het is om een verhaal te kunnen vertellen, een geanimeerd gesprek te voeren, een mop te tappen en gevatte opmerkingen te maken. Ik weet hoe het is om mijzelf niet gehinderd door een stokkende adem te kunnen uiten. Maar slechts enkele mensen kennen mij zo. De mate van stotteren neemt voor mij toe langs deze lijn: vrienden, familie, kennissen, collega’s, vreemden. De omstandigheden domineren echter. Word ik op kantoor gebeld door een vriend, waar ik doorgaans vloeiend mee praat, dan stotter ik erg. Collega’s kunnen dan immers meeluisteren. Het omgekeerde geldt ook: voegt een kennis of collega zich bij het gezelschap van mijn vrienden, dan houd ik abrupt op met vloeiend praten. Een vriend heeft een aantal mensen die ik nauwelijks ken eens proberen te overtuigen dat ik wel degelijk vloeiend kan praten: hij belde me op, zette de hoorn op de luidspreker en liet zijn gasten meeluisteren. Toen hij de valstrik uit de doeken deed begon ik weer heftig te stotteren.

Stotteren maakt je dus tot een ander persoon. Stotteren blokkeert je impulsen en stuurt je gedrag. Ik wil een praatje met de buren maken, maar doe het niet. Ik wil gezellig meepraten op een feestje, maar doe het niet. Ik wil iemand tegengas geven in een gesprek, maar doe het niet. Mijn handelen wordt niet bepaald door impuls, gemoedstoestand of de vraag of ik een introvert of extrovert mens ben, maar door het stokken van mijn adem. Eens deed ik een persoonlijkheidstest. Ik vulde hem tweemaal in. De eerste keer als stotteraar, de tweede keer als vloeiendspreker. Op vier karaktereigenschappen scoorde ik in beide gevallen nagenoeg hetzelfde: zorgvuldigheid, besluitvaardigheid, vriendelijkheid en autonomie. Maar bij dominantie trad een verstoring op. Als stotteraar scoor ik op dominant zijn een min 10 en als vloeiendspreker plus 4. In deze discrepantie zit het echte drama van het stotteren: de wil om door wat je zegt te laten zien wie je bent, maar het niet kunnen. Zeven jaar geleden, toen ik 22 was, concludeerde ik dat ik andere manieren moest vinden om mezelf te uiten. Echt vloeiend spreken zal misschien nooit lukken, maar door te gaan voor dingen die ik wel kan, hoefde mijn intellectuele en sociale ontwikkeling daar niet onder te lijden. Deze ‘zelftherapie’ is uiteindelijk de enige geweest die effectief bleek: hoe meer ik mezelf werd, hoe beter ik sprak. Blokkades maakten plaats voor verstaanbaar gestotter.

Therapeuten hebben dat geduld niet. Zij richten zich direct op de blokkades. Daar valt immers het snelst resultaat te boeken, zo laat Barbara den Uyl in haar documentaire zien. Pieter Frijters, grondlegger van ‘mind tuning’, krijgt het bijvoorbeeld voor elkaar hele verhalen uit twee stotteraars te trekken. En een linguïstisch programmeur lukt dat weer met een ander kunstje. Maar eenmaal buiten houden die trucjes geen stand. Anders zou Miss Montreal ook in het dagelijks leven Miss Montreal zijn. Als de documentaire iets aantoont, is het wel dit: stotteraars lopen stad en land af voor een wonderpil die niet bestaat. Ze worden telkens heen gestuurd met adviezen zoals die van de logopedist van Jochem: „Als je contact maakt met je lijf, gaat je adem eigenlijk vanzelf.”

Sanne Hans / Miss Montreal volgt geen therapie, liet ze in het VARA-programma De Wereld Draait Door weten. Ze is al die oefeningen en adviezen waarschijnlijk zat. „I give away all my thoughts now”, zingt ze in de documentaire. Iets waar een stotteraar dagelijks naar verlangt. De verwarring aan tafel over pa-pa-patat of pasta, waar de stotterposters op wijzen, is dus een oppervlakteprobleem. Stotteraars zitten uiteindelijk niet in hun maag met verwarring over de maaltijd, maar over hun deelname aan het gesprek dat aan tafel wordt gevoerd.

‘Als de adem stokt’. Uitzending maandag 25 oktober, 22.55 u. Nederland 2, NCRV