Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

Politie, recht en criminaliteit

Als de jury me maar kan volgen

Barend van Leeuwen (23) wordt binnenkort barrister, een pleitende strafadvocaat in Groot-Brittannië.

Pleiten in het Engels betekent simpel spreken.

In 2005 kreeg Barend van Leeuwen zijn gymnasiumdiploma, volgende maand krijgt hij een pruik. Want dan wordt hij officieel barrister, de klassieke, pleitende strafadvocaat van het Engelse rechtssysteem. Met pruik: die benadrukt de gelijkheid der barristers.

Het cv van Van Leeuwen (23) is in één woord indrukwekkend. Na het gymnasium in Apeldoorn, drie jaar rechten aan Trinity College, Cambridge, toen een jaartje Europees recht te Brugge. In 2006 liep hij stages bij Korvinus, Plasman én Spong. In oktober begon in Londen zijn één jaar durende pupillage, het trainingsjaar van de beginnende barrister. De competitie is moordend – 3.000 mensen die elk jaar vechten om 400 plaatsen. Barend van Leeuwen stuurde sollicitatiebrieven naar twaalf barristerkantoren. Bij het laatste werd hij aangenomen: „de grootste overwinning van mijn leven”, aldus Van Leeuwen.

Hij praat erover in een Amsterdams stationscafé. Alhoewel praten – het lijkt soms oreren. Stel Barend van Leeuwen een vraag en je krijgt een gewogen, afgerond antwoord. Onderbreek hem en hij steekt even zijn hand op – even zijn verhaal afmaken. Dat doet hij gedreven, articulerend zo helder als een toneelacteur, en met grote nadruk op de woorden die er voor hem toe doen. Hij werkte bijvoorbeeld niet samen met topadvocaten, maar met „tópadvocaten”. Hij houdt niet een béétje van muziek – hij houdt er „ontzéttend” van. En als hij ergens waarde aan hecht, dan vindt hij het echt „belángrijk”.

Uit je cv spreekt een enorme doelgerichtheid. Waar komt die vandaan?

„Doelgerichtheid is misschien een groot woord. Ik word niet snel beïnvloed door wat anderen doen en denken, kan dus goed mijn eigen pad uitzetten. Andere mensen zijn misschien sneller geneigd om na de middelbare school gewoon op kamers te gaan in een van de grote steden. Mij trok Engeland altijd heel erg. Misschien ook door mijn opa, die in Engeland een officiersopleiding had gevolgd en een echte anglofiel was. En ik ben naar Engeland gegaan omdat ik méér wilde dan ik in Nederland dacht te kunnen vinden.”

Je bent competitief?

„Ik ben competitief, maar – even goed formuleren – tegelijkertijd vinden veel mensen mij aardig. Daar zit een soort spanning tussen. Sommige mensen kunnen zich zo richten op wat ze voor ogen hebben, dat ze geen oog meer hebben voor de mensen om hen heen. Ik ben redelijk snel door allerlei selecties heengegaan, maar realiseer me ook dat ik ontzettend veel geluk heb gehad. Misschien is dat Hollandse nuchterheid: het besef dat je af en toe afstand moet nemen. Heel leuk dat je die pupillage mag volgen, maar uiteindelijk moet je wel lol hebben in het leven.”

Was jouw speelkwartier niet te snel voorbij?

„Nee, helemaal niet. In Cambridge moet je ontzettend hard werken, maar het is één groot speelkwartier. Het is een soort sprookjeswereld. Heel beschermd en heel sociaal. Je leeft en woont in je college, je eet met elkaar in een soort Harry Potter-eetzaal. Die doelgerichtheid van mij kun je wel ernst noemen – ik ben ook wel een serieus iemand. Maar dat betekent niet dat ik één groot doel heb waarvoor al het andere moet wijken. Absoluut niet. Je rolt ook een beetje van het ene in het andere. Ik laat me gewoon leiden door wat ik leuk vind.”

Nooit het idee: even een jaar weg uit die snelkookpan?

„Nee. Ik vind mijn rust in andere dingen. Ik hockey, loop hard, luister graag naar muziek. In Cambridge heb je al die mooi chapels, zoals King’s College, Trinity College met elke week concerten. Daar kom ik van tot rust. Maar ik ben ook wel heel rustig van mezelf – word niet snel van de kaart gebracht.”

Ook niet als buitenlander in een door en door Engelstalig beroep?

„Ik heb er heel bewust voor gekozen mijn taal heel simpel te houden. Als buitenlander heel mooie volzinnen schrijven, dat lukt niet. Je moet simpel schrijven, simpel spreken. Mensen horen wel dat ik buitenlands ben, ook in de rechtszaal. Dat vind ik ook niet erg. Ik praat langzamer dan de gemiddelde Engelsman en dat is denk ik in mijn voordeel, want de jury moet je kunnen volgen.”

Waarom wilde je barrister worden?

„Tijdens de studie in Cambridge deden we vaak aan mooting – juridisch debatteren. Je speelt een rechtszaak na: je krijgt een casus – een échte casus van een paar jaar geleden – en je hoort welke positie je als advocaat moet innemen. Vervolgens heb je een week de tijd om de ‘zitting’ grondig voor te bereiden. Dan komt de zitting zelf. De rechter, gespeeld door een hoogleraar, stelt vragen, valt je in de rede, test of je goed en onverstoorbaar kunt argumenteren. Vier mensen verdedigen elk een argument, twee gaan er door naar de volgende ronde. Pure competitie. Ik vond dat zó leuk. Het was opstaan en spreken.”

Wat vind je daar leuk aan?

„Ik houd heel erg van spreken in het openbaar. Juridisch debatteren gaat om de inhoud. Maar je moet je verhaal wel duidelijk en overtuigend brengen: het Engelse strafsysteem werkt immers met een jury, die gewoon uit burgers bestaat. Je moet dus echt helder pleiten. Dat vind ik ontzettend leuk. Als de advocaat opstaat, dan wordt er iets verwacht.”

Je krijgt er een kick van.

„Kick is niet het juiste woord. Dat zou betekenen dat ik het alleen doe voor mezelf. Ik vind het heel belángrijk dat er voor verdachten in het proces goed gesproken word. De onderklasse is in Engeland veel groter en opvallender dan in Nederland – er is echt een klassenmaatschappij. Dat maakt het nog belangrijker om aan verdachten bescherming te bieden binnen het rechtssysteem.”

Het gaat om rechtvaardigheid?

„Zeker. En rechtvaardigheid is extra belangrijk in zaken waarbij de publieke opinie zich tegen de verdachte keert. Terrorismezaken, bijvoorbeeld. De staat heeft dan enorm veel machtsmiddelen in handen om informatie uit de verdachte te halen en de verdachte vast te houden op basis van heel weinig beschuldigend bewijs. In die gevallen moet je bij uitstek letten op zaken als het zwijgrecht en het onschuldbeginsel. Onlangs was er in Engeland een mediahype rondom een agent die op het politiebureau een gearresteerde vrouw over de grond naar haar cel had gesleurd. Camera’s hadden alles opgenomen. Die agent werd publiekelijk min of meer gelyncht.”

Jij had die agent willen verdedigen?

„Met overtuiging. Want wat is er gebeurd? Die man heeft zes maanden gevangenisstraf gekregen, onvoorwaardelijk. Dat betekent in Engeland drie maanden zitten. Mishandeling is een ernstig feit, maar die straf is buitenproportioneel. Die man is zijn carrière toch al kwijt. Ik vind dat de rechter zich te veel heeft laten beïnvloeden door de publieke opinie. Misschien komt hier mijn individualistische denken en doen tot uiting. Je moet je niet laten leiden door de algemene stemming. Het gaat om de feiten.”

Eén feit is dat jij volgende maand je pruik krijgt.

„Op maat gemaakt en van 100 procent paardenhaar. Een dure grap. En als je eenmaal zo’n pruik hebt, moet die ook de rest van je leven meegaan. Want hoe ouder en versletener de pruik, hoe meer je hebt meegemaakt.”

En die van jou wordt heel oud ...

„Ik heb ontzettend veel zin om die rechtbank in te gaan en te pleiten. Maar misschien dat ik over vijf jaar zeg: heel leuk om barrister geweest te zijn, maar nu wil ik weer wat anders. Dat zou heel goed kunnen. Ik ben ook nog maar 23.”