Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

Achter een nevel van goede bedoelingen

Wat doen we met Auschwitz, is al bijna een vraag als ‘Wat doen we met oma met de Kerst’, constateert Marcel Möring na lezing van twee romans over een thema dat te groot is om te laten liggen.

'Roberto Benigni's tragikomedie 'La vita e bella' bleek in staat door de eeltlaag op mijn ziel te prikken' Foto The Kobal Collection/Sergio Strizzi Vita E Bella, La (1997) / Life Is Beautiful / Life Is Beautiful Pers: Roberto Benigni Dir: Roberto Benigni Ref: VIT011AR Photo Credit: [ Melampo Cinematografica / The Kobal Collection / Strizzi, Sergio ] Editorial use only related to cinema, television and personalities. Not for cover use, advertising or fictional works without specific prior agreement
'Roberto Benigni's tragikomedie 'La vita e bella' bleek in staat door de eeltlaag op mijn ziel te prikken' Foto The Kobal Collection/Sergio Strizzi Vita E Bella, La (1997) / Life Is Beautiful / Life Is Beautiful Pers: Roberto Benigni Dir: Roberto Benigni Ref: VIT011AR Photo Credit: [ Melampo Cinematografica / The Kobal Collection / Strizzi, Sergio ] Editorial use only related to cinema, television and personalities. Not for cover use, advertising or fictional works without specific prior agreement The Picture Desk

Maria Àngels Anglada: De vioolbouwer van Auschwitz. Vertaald door Adri Boon. De Geus, 128 blz. € 14,90

Dieter Schlesak: De apotheker van Auschwitz. Vertaald door Jacq Vogelaar. De Arbeiderspers, 348 blz. € 24,95

In de warme zomer van 1981 had ik een afspraakje. De film die zij had uitgezocht was de hit van de zomer, maar ik had op onverklaarbare wijze gemist waar hij over ging. Er werd in gezongen en gedanst, begreep ik. Dat kwam goed uit, want na afloop zouden wij ook gaan dansen.

‘Les uns et les autres’ van Claude Lelouch wordt beschouwd als zijn beste film, maar een paar uur later op die warme zomeravond in 1981 dacht ik daar anders over. Het cliché zegt ‘stijgende verbazing’, maar dat komt niet in de buurt bij de verbijstering die zich van mij meester maakte toen zich voor mijn ogen een larmoyante draak van een verhaal ontvouwde, dat met zo weinig gevoel voor l’ image juste was verfilmd dat mijn ongeloof omsloeg in lachbuien die ik nauwelijks kon onderdrukken. De Duitsers waren van het ‘Allo Allo’-soort, stralend gezonde joden liepen in de kampen rond in pyjama’s die nog onlangs onder de strijkbout hadden gelegen, en alles, tot in het kleinste detail, maakte de indruk van bezemstelen die in een bordkartonnen decor acteerden.

Ik herinner mij de scène in een treinwagon op weg naar ‘het Kamp’, toen een onophoudelijk huilende baby van een zekere ondergang werd gered door het kind via een gat in de bodem van de wagon op de rails te laten zakken. En toen ik dacht het niet erger kon eindigde de film met een verbijsterend kitscherige uitvoering van Ravels Bolero (Rudolf Noerejev op een cirkelvorming podium) tijdens een concert tegen de honger in de wereld. De pianist die heulde met de nazi’s, het baby’tje dat het overleefde, ach iedereen was Bruder geworden. De hele idealistische kitsch van de late jaren zeventig en de vroege jaren tachtig kwam in die film bijeen.

We zijn daarna niet meer gaan dansen. Ik geloof dat mijn gezelschap het mij nogal kwalijk nam dat ik ondanks hevige pogingen – zakdoeken in de mond, nagels in de handpalmen – toch een paar keer in lachen was uitgebarsten.

Auschwitz, wat doen we met Auschwitz? Het is een vraag die bijna net zo’n ritueel is geworden als de kwestie wat we met oma met Kerst doen. Het probleem keert steeds weer terug, niemand weet er een goed antwoord op en daarom ploeteren we voort door een moeras van goede bedoelingen en slechte ideeën. Het thema is te groot om te laten liggen en te gevoelig om luchtig mee om te gaan en tengevolge daarvan komt het maar zelden voor dat iemand er iets interessants mee doet.

De Catalaanse schrijfster Maria Àngels Anglada (1930-1999) schreef een korte roman die in de geest van de tijd De vioolbouwer van Auschwitz is getiteld. Van de Duitstalige Roemeen Dieter Schlesak verschijnt De apotheker van Auschwitz. Hugo Brandt Corstius noemde dat soort titels ‘de dinges van de dinges’ en iets doet mij vermoeden dat die formule bijna een genre-aanduiding is en dat we hierna ‘Auschwitz, de musical’ krijgen (die over Anne Frank is er al), ‘Mauthausen on Ice’ en ‘O, o, Sobibor’, een realityshow waarin vmbo-jongeren een maand lang spuiten en slikken in een echte barak.

Roemloos

Eerst de apotheker. Schlesaks dikke pil is een poging om niet te verzanden in het documentaire en toch authenticiteit te bewaren. Maar tussen die Scylla en Charibdis van het realistische en het romantische gaat het boek roemloos ten onder. Schlesak snijdt de resultaten van archiefonderzoek en interviews door een fictielijn waarin een zekere Adam aan het woord komt en dat werkt niet.

De apotheker van Auschwitz vertelt de waar gebeurde geschiedenis van Victor Capesius, net als Schlesak een Duitse Roemeen uit Schäßburg, dat nu Sighisoara heet. Deze Volksduitser sluit zich enthousiast aan bij de nieuwe orde, krijgt de dagelijkse leiding van, inderdaad, de apotheek van Auschwitz en werkt daar aan het vergaren van een kapitaal door de gouden tanden en kiezen en andere waardevolle bezittingen van vermoorde Joden achterover te drukken. Dat kapitaal stelt hem na de oorlog in staat in Duitsland een apotheek en een cosmeticazaak op te zetten en al in 1958 een jaaromzet van 400.000 D-mark te behalen. ‘Geld stinkt niet? Ook niet naar as en rook?’ schrijft Schlesak, als hij deze feiten heeft genoteerd, en dat geeft wel zo’n beetje aan hoe goed de schrijver het bedoelt en wat voor een soort zinnen dat oplevert. Maar pijnlijker nog zijn de gedeeltes waarin het enige fictieve personage van deze documentaire/roman aan het woord komt.

Adam, die als Sonderkommando het in- en uitruimen van gaskamers en crematoria in zijn takenpakket heeft, krijgt van zijn geestelijke vader teksten in de mond gelegd die het midden houden tussen plechtstatige pseudopoëzie en de stijve eendimensionaliteit van een schoolopstel: ‘Bevelen in het Duits als dodelijke schoten; Zo heb ik een hele verzameling gezichten van doden in mij bewaard. Elke dag een ander, als waren het mijn getuigen. Zij houden immers hun mond, de arme mensen die zijn heengegaan, vermoord; [...] taal werkt als diepste peillood van de mentale aftakeling; En de SS-schoft veegde zijn knoet aan een graspol af en liep onverschillig verder; In de eenzaamheid van ons hart dachten wij aan zelfmoord; En de schaamte werd vermengd met dood en honger tot een volledig diffuse toestand.’ Het is allemaal te veel, te simpel, te opgeblazen, overduidelijk, een lamlendige nevel van goede bedoelingen en valse romantiek die het zicht op het waarachtige ontneemt.

De vioolbouwer van Auschwitz is pure fictie. De korte roman is op hurkniveau geschreven, in simpele, uitleggerige, overduidelijke zinnen. Dat verklaart misschien ook wel waarom het een warme aanbeveling krijgt van John Boyne, die een wereldhit had met De jongen in de gestreepte pyjama, verplichte kost op menige middelbare school en van een dweperige onoprechtheid die bijna bewondering afdwingt.

Stradivarius

De vioolbouwer is het verhaal van het instrument dat Daniel bouwt in opdracht van commandant Sauckel van het Dreiflüsselager, een van de kleinere bijkampen van Auschwitz. De viool is onderwerp van een weddenschap tussen de kampcommandant en kamparts Rascher. Lukt het Daniel een viool van Stradivarius-achtige kwaliteit te bouwen, dan wint de eerste een kist wijn. Lukt het niet, dan mag Rascher de vioolbouwer voor een van zijn medische experimenten gebruiken. De weddenschap wordt beslist door een test. Een Joodse violist, Bronislaw, voert de ‘Variaties’ van Corelli uit en, ja hoor, het is een bijzondere viool geworden. Beiden overleven het kamp, maar Daniel sterft vroeg en tientallen jaren later duikt de viool weer op in het leven van Bronislaw als hij tijdens een concert de pleegdochter van Daniel (met instrument) ontmoet.

Daar was veel over te zeggen geweest: de rol van muziek en klassieke cultuuridealen in de kampen, de nazibeulen die na gedane arbeid thuis een stukje Schubert draaiden, de rol van ‘de persoonlijke jood’, de willekeur, twijfel en corruptie die daarbij horen.

Maar met dat alles heeft Àngels Anglada weinig gedaan. De tekst is een kettingbotsing van clichés: ‘Ja, dacht hij opnieuw, een schreeuw onderdrukkend, de lente is in aantocht. En zal de aarde, bemest met onze doden, doen bloeien; Was er dan niemand meer met een geweten, al stelde dat nog zo weinig voor?; Nee, het was niet waar [...] dat muziek beesten kan temmen – maar tenslotte is alles fictie.’

Misschien ben ik als tweede generatie jood te cynisch en te gehard om deze pogingen tot Holocaustfictie goed te waarderen, maar ik meen mij toch oprechtere, beter geslaagde voorbeelden te herinneren. Martin Amis’ Time’s Arrow bijvoorbeeld, waarin het hele kamp-gaskamer-crematorium verhaal in omgekeerde volgorde wordt verteld, waardoor die donkere geschiedenis verandert in de geboorte van zes miljoen joodse feniksen uit het vuur van de ovens. Geen geweldige roman, maar een moedige poging en een in meer dan één opzicht fantastisch idee.

Of David Grossmans Zie onder: liefde, waarin de hoofdpersoon Bruno Schulz niet wordt doodgeschoten door een Duitse officier (omdat zijn eigen jood door een andere Duitser is vermoord), maar in een zalm verandert en de levende zeeën doorkruist.

Maar misschien was Roberto Benigni’s ‘La vita è bella’ nog wel het sterkst. Ik was er met een mengeling van scepsis en hoogmoed heengegaan en had mijzelf nogal op de borst geslagen omdat niets mij nog zou raken als het om de zes miljoen ging. Maar na nog geen half uur zat ik stilletjes te snikken, volledig van de kaart, omdat Benigni’s tragikomedie in staat bleek door de eeltlaag op mijn ziel te prikken en iets te raken waarvan ik dacht dat het allang gevoelloos was.

Misschien is het ook daarom dat de documentaire gedeeltes in Schlesaks boek en de korte citaten uit kampdocumenten waarmee Àngels Anglada haar hoofdstukken inleidt nog het sterkst overkomen. Waarmee het failliet van hun fictie duidelijk wordt. Want alles mag dan ten slotte fictie zijn, zoals Ángels Anglada noteert, als het de feiten niet kan overstijgen hebben we er geen donder aan.