Dit is een artikel uit het NRC-archief

Sport

Oh oh Cherso in de trein

Druipend van de regen loop ik de trein in. Als ik ga zitten geef ik eindelijk aan mezelf toe: ja, die venijnige witte bolletjes die net tijdens het fietsen op me neer kletterden alsof iemand me vanuit de hemel belaagde waren inderdaad hagelstenen. Ik weet dat het niet getuigt van een bijzonder fantasierijk bestaan om

Druipend van de regen loop ik de trein in. Als ik ga zitten geef ik eindelijk aan mezelf toe: ja, die venijnige witte bolletjes die net tijdens het fietsen op me neer kletterden alsof iemand me vanuit de hemel belaagde waren inderdaad hagelstenen.

Ik weet dat het niet getuigt van een bijzonder fantasierijk bestaan om veel over het weer na te denken, maar wat betreft de weersomstandigheden voel ik me de laatste tijd zo’n oud omaatje bij wie het allemaal iets te snel gaat („Wat? Ik kan met deze telefoon videochatten? Maar mijn discman is nog niet op!”) Twee weken geleden liep ik in een zomerhemdje, nu zijn er allesbeheersende regenbuien en hagel, ik verwacht volgende week een Ameland verslindende tsunami.

Ik ga zitten op een leeg bankje. Aan de andere kant van het gangpad zit ook iemand alleen, een man van een jaar of dertig. Als de trein begint te rijden, hoor ik opeens een stem achter me: „Jezus, het zijn toch ook allemaal een stelletje teringlijers bij de NS, weet je hoe teringtraag we gaan, deze trein wordt echt bestuurd door een opa!”

De stem heeft een zwaar Haags accent en aan de weinig verbloemende manier van praten vermoed ik dat de persoon achter mij oh oh Cherso beschouwt als een natuurwetenschappelijke documentaire over zijn soort (om de samenvattende woorden van oh oh Cherso-ster Sterretje te gebruiken: „Hagenezen zijn gewoon… Hagenezen”).

Na een korte stilte zegt hij: „Nee, deze kankermachinist of hoe heet zoiets moet gewoon echt even gassen, we staan bijna stil”, waar ik uit opmaak dat hij aan het bellen is. Als ik naast me kijk zie ik aan de lichaamshouding van mijn buurman dat hij ook aandachtig aan het luisteren is. Hij kijkt me aan op het moment dat de jongen achter me roept: „Dat bedoel ik! Teringopa’s!” en trekt geamuseerd zijn wenkbrauwen op. Ik knik verheugd-samenzweerderig terug. De stem achter me verandert nu van toon en zegt zwoel: „Zullen we bij Burger King afspreken?… Wil je kipnuggets?… Gatver! Nee, gatver! Nee, dat is echt goor!… Wat, hou je niet van milkshakes? Maar banaan dan?”

De man en ik lachen zonder geluid, en subtiel tracht ik „Hoe ziet hij eruit?” te mimen (om dit kracht bij te zetten mime ik zowel de opties: ‘gangster’ als ‘iemand met een dikke buik’). De man gluurt onopvallend, maar op dat moment loopt de jongen opeens langs ons: een magere puber met lang haar en een zwart T-shirt, die nog het meest lijkt op een verschoten Nickelback-fan. De man en ik wisselen nog een laatste verbaasde blik, dan staat ook hij op en zwaait naar me voor hij wegloopt.

Ik hou eigenlijk wel van opvallende figuren in de trein. Het biedt entertainment – en vooral verwarmend bondgenootschap.