Eh, en de NAVO, premier Rutte?

De NAVO is in Afghanistan in een existentiële crisis geraakt, maar het nieuwe kabinet lijkt die realiteit niet onder ogen te zien, stelt E.P. Wellenstein.

Er is een opvallend verschil tussen de aanwijzingen in het regeerakkoord voor de bewindslieden van Buitenlandse Zaken en Defensie. Met wisselende voorschriften worden zij enerzijds naar het hoofdkwartier van de Europese Unie en anderzijds naar dat van de NAVO gestuurd.

Hun TomTom met bestemming EU geeft tal van waarschuwingen en instructies, met name inzake de uitbreidingsproblematiek, de toekomstige financiering van de EU en het Nederlandse aandeel daarin, tot en met de rol van de nieuwe diplomatieke dienst van de EU onder het verdrag van Lissabon. Er wordt nadruk gelegd op de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel en op verdere deregulering. Dat laatste doet overigens wat vreemd aan, nu de EU volop bezig is met beter bankentoezicht en sterkere discipline bij de nationale begrotingspolitiek van de lidstaten, maar dat terzijde.

Minister van Buitenlandse Zaken Uri Rosenthal (VVD) en zijn collega van Defensie Hans Hillen (CDA) krijgen daarentegen in het regeerakkoord voor de NAVO slechts een summiere aanwijzing mee. Bijvoorbeeld dat ons land, dat wordt blijkbaar nodig geacht, ook in de NAVO zijn internationale verantwoordelijkheden echt serieus neemt. Als enige inhoudelijke beleidspunt kondigt het regeerakkoord de voorbereiding van een trainingsmissie in het kader van de ISAF in Afghanistan aan, waarmee Nederland dan toch weer een bijdrage wil leveren aan wat de slotfase moet worden van de westerse interventie aldaar.

Als dit een realistisch scenario zou zijn, zou het verdere denken inderdaad voorlopig kunnen ophouden. Het zou zelfs twee vliegen in één klap slaan: een hernieuwd bewijs van solidariteit met de bondgenoten én een bijdrage aan het eindspel. Het spoort ook met de jongste beschouwingen van secretaris-generaal Rasmussen, die (NRC Handelsblad, 8 oktober) verklaarde dat het een fout was geweest pas in 2008 te beginnen met trainingsmissies voor leger en politie in Afghanistan: „Hoe eerder wij daarmee beginnen, hoe eerder we weer kunnen vertrekken.” 

Helaas wijst alles erop dat dit in het Afghanistan van nu niet meer relevant is. Trainen van en wapens uitdelen aan gestructureerde leger- en politie-eenheden is zinvol, als er een voldoende mate van georganiseerd gezag is waaraan die eenheden kunnen worden toevertrouwd om in eigen land orde op zaken te stellen en te houden.

Het bewind van Karzai voldoet echter niet aan die voorwaarde; en zeker niet in Kandahar, juist waar ISAF de beslissende eindstrijd hoopt(e) te voeren. Getrainde en bewapende eenheden kunnen zich ook in dienst stellen van rivaliserende tribale machthebbers, als zij al niet tijdens de opleiding deserteren, zoals voortdurend gebeurt. Deze uitval van manschappen beloopt nu een ontstellende 3 procent per maand, dus meer dan eenderde na een jaar training…

Het scenario, waar onze regering zich nu met een eigen trainingsmissie (misschien) in wil voegen, is na negen (!) jaar minder en minder overtuigend aan het worden. Karzai zelf zoekt al geruime tijd rugdekking via een vergelijk met (delen van) de Talibaan. Eind verleden week bleek vrij onverwachts, op een bijeenkomst van de NAVO-ministers van Defensie, dat de Verenigde Staten – met alle scepsis – dat proces nu niet meer tegenwerken en negeren, maar juist faciliteren om te zien of het perspectief biedt. Het bondgenootschap is zo in een dramatische heroverweging van het Afghanistanbeleid beland, nog onderstreept door de aanwezigheid van Secretary of State Hillary Clinton. Stellig vanuit het besef dat ook het nieuwe Strategische Concept, waar Rasmussen druk aan werkt, geen geloofwaardig toekomstbeeld voor de NAVO kan bieden als men er niet in slaagt zonder fataal prestigeverlies, en binnen afzienbare tijd, met een nieuwe wending in het beleid, de campagne aldaar af te ronden.

Ook ons land zal zich hierop moeten bezinnen, al rept het regeerakkoord met geen woord over deze existentiële problematiek.

E.P. Wellenstein was onder andere directeur-generaal bij de Europese Gemeenschap.