De boekenman

Sinds ik, een jaar of tien geleden, de helft van mijn boeken van de hand heb gedaan omdat we kleiner gingen wonen, koop ik vrijwel geen boek meer. Er is gewoon geen plaats voor. Maar soms bezwijk ik voor de verleiding, bijv. wanneer iemand wiens oordeel ik op prijs stel, mij een boek aanbeveelt of wanneer ik een erg lovende recensie lees.

Het laatste gebeurde onlangs, toen in de Times Literary Supplement het laatste boek van een zekere William Marx zo’n recensie kreeg. Ik wist niets van deze man met een Engelse voor- en een Duitse achternaam, maar een Fransman bleek te zijn, althans in het Frans publiceerde. Het geprezen boek heette Vie du lettré (Edition de minuit, Parijs)

Eerst: wat is een lettré? Dat is in beginsel iedereen die kan lezen en schrijven. Maar het is kennelijk meer dan dat. Een belezene? Een erudiet? Dat zegt nog weinig over het gebied waarop hij belezen of erudiet is. Hier is het duidelijk te doen om iemand die de schone letteren, incluis de filosofie, goed kent.

Het boek – boekje eerder – is verdeeld in 24 hoofdstukken, waarin de houding van de lettré ten opzichte van verschillende onderwerpen beschreven wordt. Het begint passend met de geboorte en eindigt met de dood, met daartussenin het lichaam, het geslacht, de seksualiteit, het eten, de economie, de politiek, de oorlog enzovoort.

Het boekje getuigt inderdaad van een verbazende belezenheid. Een vertoon van eruditie? Dat wil ik niet beweren. Per slot van rekening zegt Heraclitus, hier aangehaald, dat de lettré er een eer in moet stellen het woord van een ander door te geven, dus als doorgeefluik te dienen. Maar een overdaad aan aaneengeprate citaten is het wel.

Veel citaten zijn aan de klassieken ontleend. Zo zijn er twaalf verwijzingen naar Cicero en elf naar Aristoteles en Plato, tegen zes naar Montaigne, drie naar Descartes en slechts één naar Valéry (over wie Marx een boek geschreven heeft) en één naar Goethe. Ook Confucius krijgt er nog negen. Trouwens, ook onbekendere Chinezen en zelfs Japanners komen goed aan hun trekken – de meeste citaten keurig verantwoord, veelal ook in originele tekst.

Heeft het boekje bij mij beantwoord aan de door de TLS gewekte verwachtingen? Nou, nee. Het is ook niet een boekje dat je aan één stuk leest. Eerder neem je zo nu en dan een hoofdstuk tot je. Soms met vrucht, zo wanneer hij, in het hoofdstuk over de politiek, zegt dat de ‘autarkie’ van de lettré vol van gevaren is: hij wil zelfstandig zijn, maar tegelijk is hij burger.

Intussen blijf ik zoeken naar een goede vertaling van lettré. De enige lettré die ik goed gekend heb, Gerard van Huet – ik noemde hem hier terloops op 2 september – had er een woord voor: de woordenman, die hij gelijkstelde met de prozaïst. Maar is een lettré noodzakelijkerwijs ook een schrijver? Er zijn lettrés die nooit iets van zich hebben laten horen. Mijn voorkeur gaat uit naar de boekenman (of -vrouw, maar Marx heeft het niet over lettrées (dat woord staat niet eens in mijn Littré – geen woordspeling! –, die het zelfs over homme de lettres heeft).

Het gaf mij gelegenheid weer eens te bladeren in de bundels essays die Van Huet heeft nagelaten: Lezen en laten lezen (1951 en 1953) en Met en tegen de tijd (1958). Het zijn keuzes uit artikelen die hij eerst in De Groene Amsterdammer en later, toen het weekblad hem de Sovjet-Unie te veel goedpraatte, in de Nieuwe Rotterdamse Courant geschreven had.

Van Huet was eerst klassieke talen gaan studeren, daarna overgeswitcht (zo staat het in de Van Dale!) naar rechten. Hij was redacteur buitenland van de NRC, deed dat werk consciëntieus, maar zonder eigenlijke belangstelling. Die ging uit naar boeken. Hij werkte bij voorkeur ’s nachts (de krant had toen nog nachtdienst). Het is daar dat ik hem goed leerde kennen, want ik rouleerde ook in de nachtdienst. In de stilte van de nacht werd je in je conversatie niet gestoord.

Van zijn belezenheid getuigt hij in zijn essays, waarin hij de lezer laat delen in de sensatie die het herlezen van oude boeken wekt. Talloze schrijvers – velen uit de negentiende eeuw – komen aan de beurt. Ik doe een greep: Fontane, Gide, Taine, Rimbaud, Waugh, de dagboeken van Hebbel („een verrassing”), Balzac, Hölderlin, maar ook mij zelfs bij naam onbekenden, zoals Gerhard Nebel, Eyvind Johnson, James Hogg, Norman Douglas, Percy Lubbock.

Van Huet is niet altijd lovend. Ik herinner mij een – niet in de bundels opgenomen – kritiek van Vercors’ Le silence de la mer, dat vlak na de oorlog veel opgang maakte: over een Duitse officier – een ‘goede’ – die bij een Frans gezin ingekwartierd was. Van Huet noemde het kitsch en had een tweede artikel nodig om dit oordeel nog eens extra uit te leggen aan een geschokte lezeres.

Van Huet overleed in 1975, 64 jaar oud, aan de gevolgen van een stom ongeluk. Hij was enige jaren tevoren opgehouden met schrijven.

Laat mij eindigen met een citaat uit het laatste hoofdstuk van Marx’ boekje. Het is van de essayist Roland Barthes, in 1980 overleden (ook aan de gevolgen van een stom ongeluk): „Le savoir, comme la jouissance, meurt avec chaque corps.” (Met ieder lichaam sterft het weten, evenals het genieten).

Ik neem aan dat de bundels van Gerhard van Huet nog wel ergens antiquarisch te krijgen zijn. Ze zijn tijdloos.

PS. In mijn artikel van 14 oktober heb ik ten onrechte geschreven dat B. Udink de eerste minister voor Ontwikkelingssamenwerking was. Dat is niet juist. Th. Bot was hem tweemaal voorafgegaan. Mijn stelling dat ontwikkelingshulp niet uitsluitend een ‘linkse hobby’ is, blijft echter staan. Want Bot zat op die post namens de KVP.