Judotalenten moeten nog leren zichzelf pijn te doen

Jonge Nederlandse judoka’s hebben talent genoeg, maar ontberen nog hardheid en ervaring. „Win je niet, dan verlies je de aansluiting.”

Coach Chris de Korte kijkt afkeurend als judotalent Kim Polling in haar eerste partij bij de Rotterdam Grand Prix binnen twee minuten verliest van de Oekraïense Nataliya Smal. De coach van onder anderen Edith Bosch vindt dat ze zonder tactiek is begonnen. „Ze wilde gewoon te graag. Dat kan misschien bij de junioren, maar daar kom je op dit niveau niet mee weg. Jammer, want met haar kwaliteit had ze ver kunnen komen. Hier moet ze van leren.”

Vier finaleplaatsen, drie titels en zes medailles. Dat was de oogst voor Nederland bij de Grand Prix in Rotterdam. Een goede prestatie, waarbij ook de halvefinaleplaats van het 22-jarige talent Linda Bolder in de klasse tot 70 kilogram knap was. Toch bestaan over de toekomst van het Nederlandse judo de nodige twijfels. Op de Olympische Spelen in Peking (2008) behaalde de judoploeg vijf medailles (één zilver, vier brons). Bij de laatste WK in september waren dat er nog maar twee, gewonnen door Henk Grol en Dex Elmont.

„De Spelen van 2008 zijn geen goede graadmeter, de WK lenen zich daar beter voor”, zegt Cor van der Geest, technisch directeur van de Nederlandse judobond (JBN). „Peking waren ‘onze’ Spelen, daar lukte bijna alles. Maar ons gemiddelde bij de grote toernooien hoort rond de drie medailles te liggen. Bij de WK in Japan hebben we dus een redelijke prestatie neergezet. Hoewel we beter hadden kunnen scoren, zeker bij de vrouwen.”

Maar Van der Geest ziet de toekomst voor het Nederlandse judo niet somber in. „De topjudoka’s voor Londen 2012 staan redelijk vast, maar als technisch directeur kijk ik liever vooruit naar de Spelen van 2016 in Rio de Janeiro. De groep die zich nu nog talent mag noemen, moet zich langzamerhand wel gaan ontwikkelen.”

Want dat baart Van der Geest zorgen. Talent hebben de jonge judoka’s voldoende, maar het schort nog wel eens aan de mentale instelling. „Het begint bij de hardheid. Bij de internationale wetten van het judo moet je jezelf pijn kunnen doen. In wedstrijden, maar ook bij trainingen moet je die hardheid durven tonen. Ik zie soms judoka’s van wie ik weet dat ze veel beter kunnen. Laat dat dan zien! Zoek die top op, train met ze, dat is alleen maar goed voor de ervaring.”

Maar hoe komen ze aan die ervaring? Volgens judotrainer Theo Meijer zit daar het probleem. „We hebben talent genoeg, maar de bond biedt slechts een paar momenten waarop de judoka’s moeten pieken. Je moet dan je partijen winnen. Maar ja, stel dat je in de eerste ronde van een Grand Prix de nummer één van de wereld treft, dan is de kans op verliezen bijzonder groot. Win je niet, verlies je direct de aansluiting.”

Volgens Meijer is het vooral een financiële kwestie. „De judobond heeft niet veel geld, daardoor worden de judoka’s te afhankelijk van de clubs die ze moeten helpen met de financiering. Als talenten meer aan Europese wedstrijden kunnen deelnemen, blijven ze gemotiveerd. Zo creëer je ook de voorwaarden om beter te kunnen presteren. Talenten als Esther Stam en Marit de Gier krijgen zo weer de kans zich te ontwikkelen. Als de Nederlandse topjudoka’s meer nationaal zouden kunnen trainen, zijn we al een stap verder. Kijk maar naar de Franse ploeg. Oké, ze werken met een grotere groep, maar ze zijn wel bij veel topwedstrijden aanwezig om ervaring op te doen.”

De Korte ziet ook wel iets in gezamenlijke trainingen. „We moeten de komende jaren professioneler gaan werken. Laat talenten elkaar opzoeken, en stel daar ook geld voor beschikbaar. Dan zitten ze tenminste minder verspreid van elkaar en kunnen ze meer en beter trainen. Want een klein stapje extra om dat talent te ontwikkelen zou geen kwaad kunnen.”