Prestatiebeloning is kansloos, ontsla liever slechte leraren

Leraar, lerarenopleider en publicist.

Het nieuwe kabinet laat de leraar met rust. Invoering van prestatiebeloning is eigenlijk de enige noviteit in het CDA-VVD-kabinet. De onderliggende gedachte daarbij is: leraren werken in de klas, daar presteren betekent dat kinderen meer leren, die inspanning belonen is een prikkel waar de samenleving beter van wordt.

En ja, het is een sympathiek idee, die prestatiebeloning en het zou ook al lang ingevoerd zijn, als het niet zo moeilijk uitvoerbaar was. Neem mijn vaksectie. Mijn collega’s werken allemaal anders, maar onze examenresultaten en scores in leerlingtevredenheidsonderzoeken liggen ongeveer gelijk. We verschillen, maar zijn gemiddeld genomen even goed. Wie krijgt dan de prestatiebonus?

Ziehier de makke van de prestatiebeloning in het onderwijs: het verschil tussen goed, beter en best laat zich moeilijk duiden, waardoor persoonsgebonden opvattingen de doorslag geven. Daardoor ontstaat willekeur in de beloning, wat weer resulteert in geruzie op de werkvloer. Niet doen dus.

Zet daar de slechte leraar tegenover. Die onderscheidt zich wel duidelijk van de categorieën voldoende, goed en excellent. Bij slechte leraren doen leerlingen weinig in de les, vervelen zich opzichtig, vertonen amper leergedrag, scoren regelmatig onvoldoendes en de sfeer is onveilig. Vreemd is dat juist deze brokkenpiloten zich geen zorgen hoeven te maken. De nieuwe onderwijsminister laat het ontslagrecht voor wat het is.

Een gemiste kans, want slechte leraren lijken in anonimiteit een baangarantie te genieten. Het laatste decennium zijn in het voortgezet onderwijs per jaar maximaal 180 leraren wegens incompetentie ontslagen, dat is ongeveer 0,2 procent van de totale populatie. Typisch Nederlands zijn deze lage ontslagpercentages overigens niet. Afgelopen zomer zond de BBC de schokkende documentaire Can I sack teacher? uit. In de laatste twintig jaar zijn in Groot-Brittannië niet meer dan 18 leraren ontslagen wegens wanprestaties, terwijl er in dezelfde documentaire op wordt gewezen dat ‘5 tot 10 procent in elk beroep incompetent is’.

De afgelopen decennia hebben lerarenopleidingen en bestuurders in een zuinige context hun heil gezocht bij vernieuwing van onderwijs en organisatie; zij lieten zich daarbij inspireren door Angelsaksische onderwijsideologieën. Hierin doet de leraar er even niet toe, verdient weinig en studie is niet nodig. Zo’n breed inzetbare vaardighedendocent, die leuk met kinderen omgaat, dat is pas handig, die mag mooi alle vakken geven. Daar is ook niks mis mee, want een leraar kan de kennis toch niet overdragen, die moeten leerlingen zelf verwerven. In deze visie is iedereen welkom voor de klas.

In het schooljaar 2007-2008 degraderen rapporten van SER-voorzitter Rinnooy Kan, Kamerlid Dijsselbloem (PvdA) en het organisatiebureau McKinsey deze opvattingen tot wat ze zijn: borrelpraat. Vanaf dat moment maakt de hoogopgeleide vakleraar in het denken over onderwijs een comeback. Er komt geld voor ontwikkeling en beloning. Lerarenopleidingen gaan weer eisen stellen.

En dat is verstandig, want niet het pedagogisch didactisch concept, niet het leermateriaal, niet de klassengrootte en niet de zorgstructuur, maar het opleidingsniveau en de ambachtelijke handigheid van de leraar bepalen de onderwijsprestaties.

Zo onderzoekt de Amerikaanse denktank Education Trust het effect van de kwaliteit van de leraar op het leren van kinderen. Wat blijkt? Twee jaar achter elkaar een slechte leraar resulteert in een achterstand die niet meer in te halen is. De hoogleraar Burgess van de universiteit van Bristol zegt in de BBC-documentaire: ‘Als je al die 5 procent slechte leraren zou vervangen door gemiddelde leraren, dan zou dat in resultaat aanmerkelijk schelen. Dat zou het verschil kunnen zijn tussen wel een baan krijgen of niet. Wel naar de universiteit of niet.’

Maar de werkvloer raakt niet in de war van dit soort berichten. Daar bepaalt de instroom van de laatste twintig jaar niet alleen de sfeer, ze druppelt ook door in de managementlagen. En dus laten schoolleiders de kwaliteit in de klas voor wat die was. De motivering luidt: het rigide ontslagrecht maakt ingrijpen onmogelijk.

In deze lamlendige context kunnen onderpresteerders in de slachtofferrol kruipen, waarna zij elke verantwoordelijkheid voor hun falen moeiteloos afschuiven op de boze buitenwereld, middels een binnen de Nederlandse scholen rondzingende riedel: de kinderen zijn slecht opgevoed, ongemotiveerd, kunnen en weten niks, maken hun huiswerk niet, het leerboek is waardeloos, de werkdruk hoog, de ouders zijn gek en het management deugt evenmin.

Opruimen van dit defaitisme is opdracht nummer één van de nieuwe onderwijsminister. Daarbij heeft het ontslaan van slechte leraren een vele malen groter effect op het leren van kinderen dan de invoering van een schimmig beloningsstelsel rond prestaties van docenten.

Een soepeler ontslagrecht, schoolleiders dwingen daar gebruik van te maken, alle betrokkenen hebben er baat bij. De onderpresteerder is uit zijn lijden verlost en kan op zoek naar werk dat wel past. Kinderen ontwikkelen zich eindelijk weer op school. Maar veruit de grootste maatschappelijke winst wordt geboekt bij de bestrijding van het kwalitatieve lerarentekort. Een beroep is voor hoogopgeleide werkzoekenden alleen aantrekkelijk als het wat voorstelt en status begint bij het niet accepteren van falen. Momenteel ontbeert de sector dit zelfreinigend vermogen; slecht wordt dan alleen maar slechter. Stop deze neergang: alle slechte leraren moeten weg!