Weer boven

Vanmorgen om kwart over zeven, Amsterdamse tijd, wilde ik net beginnen te klagen over mijn ontbijteitje dat iets te zacht gekookt was, toen op de tv een man in beeld verscheen die Juan Illanes bleek te heten, 52 jaar oud was, een snor en een vrolijke lach had, en indrukwekkende brieven aan zijn vrouw had geschreven terwijl hij 69 dagen lang 622 meter onder de Chileense grond gezeten had.

Ik zweeg bedremmeld en noteerde. Mijn aandacht ging daarbij vooral uit naar mevrouw Illanes, die in gezelschap van de Chileense president stond te wachten. Ze lachte verlegen, wat ik ook zou hebben gedaan als ik geweten had dat 1.500 journalisten in de directe omgeving en tientallen miljoenen mensen over de hele wereld elk traantje zouden registreren.

Mevrouw Illanes gaf geen krimp. Ze bleef verlegen lachen, maar huilen deed ze niet. De president week geen moment van haar zijde; wat haar betrof kon hij opdonderen. Mocht ze dan niet één momentje met haar man alleen zijn? Nee, later pas. Daar kwam hij al, Juan. Wat zag hij er nog goed uit!

Een hartelijke, maar onsentimentele omhelzing volgde. Juan was een poosje weggeweest, een survivaltochtje dat wat langer geduurd had dan gepland, maar nu was hij er weer. Zo gedroeg hij zich ook tegenover zijn vrouw: „Hai, alles goed!” Daarna begon hij de handen te schudden van de reddingswerkers, en, niet te vergeten, van de vrouw van de president die ook haar plekje in de schijnwerpers moest verdienen. Ten slotte liet Juan zich, nog steeds vrolijk lachend, per brancard afvoeren.

Die terughoudendheid van het echtpaar Illanes had wel iets. Geen hysterische blijdschap, maar bedwongen emotie. Voor de fotografen moet het een anticlimax zijn geweest, maar mijn keel werd er even door dichtgeknepen.

Bij mijnwerker Mario Sepulveda, die met zijn hele gezin een persconferentie gaf, zagen we de uitbundigheid die voor de visuele media geschikter is. „Ik ga een lang leven leiden”, riep hij. „Ik ben zo gelukkig, liefde is een prachtig iets.” Hij zou een beroemde mijnwerker worden, zei een journaliste, zijn verhaal zou de hele wereld over gaan.

Wie ook indruk maakte, was Greg Hall, een prominente Amerikaanse reddingswerker ter plekke. Hij gaf aanvankelijk rustig antwoord op een aantal vragen vanuit de CNN-studio. Toen vroeg men hem of er ook momenten waren geweest dat hij er niet meer in geloofd had. „Ja…”, zei hij, „één….twee keer…” Hij moest zijn zin opeens afbreken, overmand door emoties. Bij CNN had men in de studio de Phoenix-capsule nagebouwd waarmee de mijnwerkers werden opgehaald. De presentator ging erin staan. De cabine bleek zo smal dat zijn schouders de wanden raakten. In deze smalle koker moesten ze in hun eentje omhoog, omringd door duisternis. Het gevaar bestond dat de benen slap werden door een gebrekkige bloedsomloop, flauwvallen zou uiterst riskant kunnen zijn.

Ik heb geen aanleg voor claustrofobie, maar ik voelde nu toch het zweet in mijn handen, terwijl ik met de Phoenix omhoog ging. „Rustig maar”, zei een reddingswerker in mijn koptelefoon, „nog maar honderd meter.”

Hij telde af. „Vijftig…veertig…dertig...twintig….tien…”

De cabine stond stil. Mijn hart ook. Het deurtje klapte open. Wie stond daar te wachten?

Mark Rutte.