Kijkt u ook zo uit naar de beëdiging van Rutte?

Het zou goed zijn om te zien dat ministers trouw zweren aan de Grondwet. Die openheid is gewenst, stellen Carla van Baalen en Charlotte Brand.

Morgen zal koningin Beatrix de bewindspersonen van het kabinet-Rutte beëdigen op Huis ten Bosch. Kamerleden en zelfs de koningin leggen voor het oog van de camera’s de eed of belofte af. Waarom doen ministers dat eigenlijk niet?

Televisie- en fotocamera’s zijn volop aanwezig bij de beëdiging van Kamerleden, maar bij de officiële ambtsaanvaarding van ministers en staatssecretarissen is dat in ons land geen gebruik. In andere Europese constitutionele monarchieën zoals België, Zweden en Spanje is de beëdiging van bewindspersonen door het staatshoofd wel openbaar, getuige de foto’s die ervan bestaan.

In Nederland bestaat wel de traditie van de ‘bordesscène’. Sinds het aantreden van het kabinet-Biesheuvel in 1971 poseert de koningin steevast direct na de officiële beëdiging van de ministers met de nieuwe ploeg op het bordes van Huis ten Bosch.

Alleen bij de eerste twee kabinetten-Van Agt ging het anders. Vanwege een renovatie van Huis ten Bosch weken majesteit en ministers in 1977 uit naar paleis Soestdijk en bij het tweede kabinet-Van Agt, in 1981, werden de foto’s vanwege de weersomstandigheden binnen genomen. Ook vóór 1971 werden staatsieportretten van nieuwe kabinetten genomen, maar toen nog op wisselende plekken, bijvoorbeeld in het Catshuis, de Trêveszaal, op de trappen van paleis Soestdijk of voor een ministerie. Het waren foto’s van de ministerraad; het staatshoofd ontbrak dus op die plaatjes.

De plaats die de ministers op het bordes innemen, is protocollair vastgelegd. De koningin staat in het midden, de minister-president bevindt zich rechts van haar. Aan haar linkerzijde staat de vicepremier.

Indien er meer vicepremiers zijn, dan staan die weer naast de minister-president. De andere bewindspersonen krijgen een plaats toegewezen op basis van departementale anciënniteit. Ministers van oude departementen zoals Binnenlandse Zaken, Justitie en Financiën, hebben dus een betere plek dan collega’s die bijvoorbeeld Volksgezondheid of Milieu in portefeuille hebben.

In 1970 bepleitte de door het kabinet-De Jong ingestelde commissie-Biesheuvel meer openbaarheid rond de kabinetsformatie. De commissie was van oordeel dat de vorming van een kabinet ‘een publieke zaak [was], die uit oogpunt van democratie in alle fasen een zo groot mogelijke openbaarheid vereist.’ Zo vond ze dat de adviezen van fractieleiders aan de koningin openbaar moesten worden gemaakt wat vanaf 1971 inderdaad praktijk werd. De commissie adviseerde in alle fasen van de formatie zo veel mogelijk openbaarheid, maar expliciet zei ze niets over het moment van beëdigen.

Wij vragen ons af welke goede redenen er nog zijn, afgezien die van de traditie, om het officiële moment van ambtsaanvaarding door bewindspersonen buiten de publiciteit te houden. De beëdigingsceremonie is het symbolische hoogtepunt van de formatie; het hele formatieproces draait immers om het vormen van een nieuw kabinet. Het is zelfs zo dat de benoeming en beëdiging van ministers (en staatssecretarissen) de enige onderdelen van de formatie zijn die grondwettelijk zijn vastgelegd (artt. 43, 46, 48 en 49). Voor het overige behoren alle onderdelen van een Nederlandse kabinetsformatie tot gewoontes en conventies.

Zou het geen goed idee zijn – zo niet nu, dan toch met ingang van het koningschap van Willem IV – om de burgers van Nederland deelgenoot te maken van dat plechtige moment waarop ministers ten overstaan van de koning zweren (of beloven) dat zij de Grondwet trouw zullen zijn en hun ambt getrouw zullen vervullen?

Het zou toch mooi zijn wanneer, veertig jaar na het oordeel van de commissie-Biesheuvel, ‘uit oogpunt van democratie’ de openbaarheid van de kabinetsformatie weer een stapje verder zou komen. En ook de familiealbums van ministers zullen er door worden opgeluisterd.

Carla van Baalen en Charlotte Brand zijn beiden verbonden aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen.