FC Kaasstolp

Mark Rutte heeft zijn ministersploeg vrijwel compleet.

Hij had geen behoefte aan verrassing, vernieuwing of verjonging.

Waarschijnlijk drie vrouwen, veel babyboomers, bijna allemaal beroepspolitici, nul allochtonen. De paradox van het toekomstige kabinet-Rutte: gedoogd door de anti-establishmentpartij PVV en met een „ferme wil” om bestuurlijk Nederland ingrijpend te veranderen, bestaat dit minderheidskabinet van VVD en CDA uit blanke heren, dikwijls (ruim) boven de vijftig en prominente leden van datzelfde politieke establishment dat zou worden bestormd.

Niks mannen van buiten. En niks nieuws aan. De bewindslieden brengen veel ervaring mee, die bijna uitsluitend is opgedaan in het openbaar bestuur. „Old hands” noemt hoogleraar politieke geschiedenis Remieg Aerts van de Radboud Universiteit in Nijmegen ze. Aerts: „De leiders van deze politieke samenwerking hebben de neiging om verbaal tegen de Haagse kaasstolp aan te schoppen. Maar met dit kabinet maken ze hun woorden absoluut niet waar. Begrijpelijk: Rutte, Verhagen en Wilders zijn beroepspolitici pur sang. Rutte heeft, geloof ik, ooit personeelsmanagement voor Mona-toetjes gedaan en Wilders heeft bij een door de overheid gesubsidieerde zorginstelling gewerkt, maar verder hebben deze drie geen enkele noemenswaardige ervaring opgedaan buiten Den Haag. Dat zie je gereflecteerd in hun keuze voor de bewindslieden.”

Veel afstand tot de dagelijkse politiek is er ook niet. Integendeel, bijna alle bewindslieden waren nauw betrokken bij de moeizame geboorte van deze minderheidscoalitie.

Bij het CDA valt dat het meest op. Daar stapt fractievoorzitter Maxime Verhagen (54) het kabinet in met CDA’ers die zijn verscheurde partij de coalitie in duwden. Henk Bleker (57), de interim-partijvoorzitter, komt bij hem op het ministerie als staatssecretaris, senator Hans Hillen (63) wordt minister van Defensie en Piet Hein Donner (61) blijft minister, dit keer van Binnenlandse Zaken. Of neem de voormalige burgemeester van Maastricht Gerd Leers (59). Jarenlang lag hij slecht bij de partijtop. Maar op het afgelopen CDA-congres hield hij een hartstochtelijk pleidooi voor politieke samenwerking met de PVV. Nu mag hij het immigratie- en asielbeleid van het kabinet uitvoeren.

Veel behoefte aan verrassing, vernieuwing of verjonging had ook toekomstig premier Rutte niet. Die mensen die hij uitzocht, kent hij goed. De twee VVD-informateurs die aan de wieg stonden van dit kabinet maakte hij minister: Uri Rosenthal (65) en Ivo Opstelten (66). Verder neemt de VVD-leider ook vijf Kamerleden mee uit de fractie die hij de afgelopen jaren leidde. Zijn vicefractievoorzitter Edith Schippers wordt minister, de overige vier staatssecretaris: Paul de Krom, Fred Teeven, Frans Weekers en Halbe Zijlstra.

Vernieuwing is leuk, overleven belangrijker. Dat Rutte voor bewezen bestuurlijke competentie kiest, toont misschien onzekerheid, tegelijk is het geen overbodige luxe in deze dagen. Het aantal vertrouwensbreuken per jaar is nog nooit zo hoog geweest als tijdens de laatste vier kabinetten. Tot de jaren tachtig sneuvelden gemiddeld vier bewindslieden per decennium. Tijdens de kabinetten-Balkenende steeg dat aantal tot boven de tien. En politieke ervaring blijkt een belangrijke overlevingsfactor, zo blijkt uit een binnenkort te verschijnen studie van wetenschappers Gijs Jan Brandsma en Mark Bovens van de Universiteit Utrecht.

Uit hun onderzoek blijkt ook dat het met het oog op overleven geen onverstandige keuze was om de PVV niet als volwaardige coalitiepartner in het kabinet op te nemen. Want bij een nieuwe partij is de kans op problemen het grootst. De kans op het onvrijwillige vertrek van een bewindspersoon van een nieuwe politieke partij is dertien keer zo hoog als het onvrijwillige vertrek van een ervaren kracht.

In zijn zoektocht naar ervaring heeft Rutte vaak gekozen voor mensen die ouder zijn dan hijzelf. In een amusementsprogramma klonk zelfs al de term ‘rollatorregering’. Dat is lichtelijk overdreven; vooralsnog overstijgt alleen Opstelten de huidige AOW-gerechtigde leeftijd. Maar het is waar, de jongste, Melanie Schultz, is veertig. En zij zal als minister Infrastructuur en Milieu doen, het oude ministerie Verkeer en Waterstaat. Een slimme zet van Rutte om de jongste daar te zetten: op dat ministerie is sinds de oorlog nog nooit iemand gedwongen tot aftreden.

Politiek historicus Aerts wijst op de keerzijde van politieke ervaring. Daarmee kun je ook problemen binnenhalen. Aerts: „Dat zie je nu al met Hans Hillen. Die ging al direct roepen dat hij verdere bezuinigingen op zijn ministerie zal tegenhouden. Ervaren Haagse rotten weten heel goed hoe ze hun eigen belang tot het uiterste moeten verdedigen.” Met andere woorden: vormen een verzameling zelfbewuste topspelers ook een goed team? Bij voetbal gaat dat vaak niet op.

Rutte heeft een stel ministers en staatssecretarissen om zich heen verzameld die zich niet snel laten verrassen door het politieke handwerk rond het Binnenhof. Ook zullen zij niet snel debatten met onverzoenlijke oppositiepartijen huilend verlaten. En de eerste motie van wantrouwen? Die overleeft deze ploeg wel. Maar bereiken deze bewindslieden ook dat andere, voor VVD, CDA en PVV zo belangrijke doel: het afbreken van de vermolmde bestuurlijke structuren die Nederland weerhouden van zijn potentiële glorie? Het is al deze zo ervaren bestuurders in hun carrière tot nu toe in ieder geval niet gelukt.