De wereld buiten het tuinhuisje

Morgen wordt de Booker Prize 2010 uitgereikt. Hieronder de genomineerden.

De hartverscheurende roman ‘Room’ van Emma Donoghue moet winnen.

Geen shortlist zonder gedoe; ook bij de Booker Prize van dit jaar ging dat weer op. Uiteraard was er de gebruikelijke opwinding over ontbrekende titels (waar waren de romans van David Mitchell, Christos Tsiolkas?). De strijd om de Booker Prize 2010 kun je zien als een gevecht tussen helden en antihelden. En om de uitslag vast te verklappen: de helden winnen.

1Om met de antihelden te beginnen: de eerste is Julian Treslove, hoofdpersoon in The Finkler Question van Howard Jacobson. Treslove wil niets liever dan joods worden. Hij heeft twee joodse vrienden, die hem met gemengde gevoelens aanzien. Als een niet-joodse Woody Allen stuntelt Treslove zich door het boek heen. Dat levert mooie scènes op, en lange gesprekken over identiteit, maar elke aanzet tot een plot wordt in de kiem gesmoord.

2De tweede antiheld is Damon, uit In a Strange Room van Damon Galgut. Elk deel loopt slecht af, want zoals het een antiheld betaamt, slaagt Damon er niet in de zaken naar zijn hand te zetten. Galgut is een uitstekend stilist, maar de treurige belevenissen van zijn passieve alter ego beginnen al gauw te irriteren. De verhalen hebben iets nadrukkelijks en onontkoombaars, een effect dat wordt versterkt door de archetypische titels van de delen (‘De volger’, ‘De minnaar’ en ‘De bewaker’). Blijkbaar wil Galgut met dergelijk ingrepen zijn verhalen op een universeler plan tillen. Dat lukt hem niet, en het gevolg is een loodzwaar boek, zonder relativering.

3Antihelden worden helden in Parrot and Olivier in America van Peter Carey. Na de Franse Revolutie belanden de aristocraat Olivier en zijn secretaris Parrot in de VS waar ze zich staande proberen te houden in een nieuwe wereld met nieuwe (democratische) waarden. Carey zou met deze heldere, speelse roman de eerste schrijver kunnen worden die de Booker Prize drie keer wint.

4Hij lijkt in ieder geval een grotere kanshebber dan Andrea Levy met The Long Song. Deze historische roman speelt zich af op 19de-eeuws Jamaica. Heldin is July, in slavernij geboren, die gedecideerd voor haar bestaan vecht. Als oude vrouw schrijft ze haar levensverhaal op. Gaandeweg bekruipt je het gevoel dat dit een krachtiger boek zou zijn als het om echte memoires zou gaan. Alleen al het feit dat die gedachte opkomt, bewijst dat Levy onvoldoende gebruikmaakt van de mogelijkheden die literaire fictie biedt.

5Dat het anders kan, bewijst Emma Donoghue met Room. Hierin draait alles om Jack, de jongste held van de shortlist. Op de eerste pagina viert hij zijn 5e verjaardag. Zijn moeder kan niets voor hem kopen, want ze zit al met Jack opgesloten in een geluiddicht tuinhuisje. Vrijwel elke nacht komt haar ontvoerder langs om haar te verkrachten. Jack is het resultaat van een van die verkrachtingen. Het verhaal wordt verteld vanuit zijn perspectief. Hij heeft geen idee van de ernst van de situatie, want hij heeft nooit iets anders meegemaakt, en beseft niet dat er zich buiten het tuinhuisje een buitenwereld bevindt. De combinatie van de gruwelijke werkelijkheid en de naïeve, hier en daar zelfs montere verteltoon van Jack zorgt voor een hartverscheurend en beklemmend effect. De manier waarop Jack en zijn moeder ontsnappen is onmiskenbaar ontleend aan de zaak-Josef Fritzl. Want dat ontsnappen lukt ze inderdaad, in een zeer spannende episode met een heldenrol voor Jack. Daarna ontstaan er nieuwe problemen: Jack komt terecht in een wereld die veel te groot voor hem is. Bovendien moet hij zijn symbiotische relatie met zijn moeder opgeven – iets wat ook haar bijna fataal wordt.

6Het laatste boek van de shortlist, C van Tom McCarthy, is een geval apart. McCarthy heeft een uitgesproken voorkeur voor het futurisme en modernisme en moet niets hebben van psychologische romans. C gaat over de oorlogsheld Serge Carrefax, die aan het eind van 19de eeuw wordt geboren op een Engels landgoed. Hij experimenteert met radio, verliest op jonge leeftijd zijn zus, doet een kuur in een sanatorium, vecht als piloot in WO I, stort zich in het wilde Londen van de jaren twintig en sterft na een reis naar Egypte. Dat klinkt als een traditioneel verhaal, maar de eigenlijke hoofdrollen in C zijn weggelegd voor moderne technische ontwikkelingen als radio, vliegtuigen en elektriciteit. Alle metaforen die McCarthy gebruikt, hebben betrekking op techniek of scheikunde. Zijn boek knettert, ruist en tikt. Gevoelens komen er in C bekaaid af. Juist daarom krijgen leven en dood iets groots, bovenmenselijks. Dat werkt niet verkillend, maar verfrissend. Helaas zakt het boek aan het slot in; een vrijpartij in een Egyptische tombe kan zo meedingen naar de prijs voor de ongeloofwaardigste seksscène aller tijden.

C en Room zijn de twee beste en interessantste boeken van de lijst. Ze verschillen als dag en nacht. Het is verleidelijk om te stellen dat C zich op het hoofd richt, en Room op het hart. In feite is dat ook zo – maar dat betekent niet dat Room een naïever boek is dan C. Integendeel, eigenlijk is Room als roman veel kunstmatiger. In C wordt uiteindelijk een rechttoe-rechtaan verhaal verteld, met een traditionele alwetende verteller. In Room zit je in het hoofd van een vijfjarige, die voortdurend verwoordt wat hij meemaakt. Dat is natuurlijk een volstrekt onnatuurlijke situatie. Toch werkt het uitstekend: je adem stokt, je maakt het mee, even wordt het een beetje voorstelbaar hoe zoiets moet zijn. Een non-fictieverslag van zo’n ontvoeringszaak zou nooit zo direct en confronterend kunnen werken. Meer dan C en de andere vier nominaties toont Room aan wat literatuur kan, wat alléén literatuur kan. C is de favoriet van Britse bookmakers, maar als dinsdag de beste wint, gaat de Booker Prize naar Room van Emma Donoghue.