De spanning in de hoofdklasse is al bijna weg

De hockeyinternationals zijn verdeeld over slechts vijf clubs. „Wij moeten er harder voor vechten”, zegt Marilyn Agliotti, de enige international bij haar club.

Het was gisteren voor de hockeyinternationals een van de weinige spannende weekeinden in de vrouwencompetitie van dit seizoen. Vorig jaar speelden ze nog verdeeld over zeven clubs, dit jaar over slechts vijf. Marilyn Agliotti is de enige hockeyster uit de nationale ploeg bij Oranje Zwart, de rest speelt bij Den Bosch, Amsterdam, Laren of SCHC. In Den Bosch, waar de thuisploeg het opnam tegen Laren, kwamen daardoor acht internationals in actie en in de wedstrijd tussen Amsterdam en SCHC speelden er nog eens zeven. Door het samenklitten van de internationals staan de deelnemers aan de play-offs dit jaar eigenlijk al vast. „Ik kan niet ontkennen dat het me zou verbazen als die vier teams de play-offs niet halen”, zegt bondscoach Herman Kruis.

Blij is de oud-trainer van Den Bosch daar niet mee. „Het verschil tussen de top en de rest wordt op deze manier groter en dat is niet fijn voor de competitie. Maar iedere speelster heeft het recht zelf te kiezen bij welke club ze wil spelen. Wij hebben daar als hockeybond niets mee te maken.”

Naomi van As is de belangrijkste speelster die in de zomer de overstap maakte van een middenmoter – Klein Zwitserland – naar een titelkandidaat – Laren. „Het is misschien jammer voor de spanning en het niveau van de competitie dat alle goede speelsters naar dezelfde clubs toe trekken”, zegt ze. „Maar ik wil na zeven seizoenen Klein Zwitserland meedoen om de prijzen. Dan kies ik voor mezelf en niet voor het competitiebelang.”

Dat de vier clubs zo sterk zijn, resulteert in grote uitslagen. Den Bosch versloeg Hurley vorige week met 7-0, SCHC was met 4-0 te sterk voor Pinoké, Amsterdam won met 5-2 van Rotterdam en Laren versloeg HGC met 3-0. Agliotti, die als enige international de kar trekt bij Oranje Zwart, betwijfelt of dat goed is voor de ontwikkeling van speelsters. „Bij ons loopt het allemaal niet zo gestroomlijnd als bij clubs waar zes internationals op het veld staan. Wij moeten harder werken en harder vechten. Het is de vraag of je veel leert van een wedstrijd tegen een tegenstander met een kwalitatief veel lager niveau.”

Een mogelijke oplossing zou liggen in een andere competitieopzet, zoals dit jaar is ingevoerd in Spanje. Daar is de vrouwencompetitie ingedeeld in twee groepen van zes teams. De beste drie uit de elke poule spelen uiteindelijk tegen elkaar voor een plaats in de play-offs. Bondscoach Kruis had de gevolgen van die opzet dan ook in de gaten. „Ik wil niet zeggen dat de Spaanse competitieopzet het ei van Columbus is, maar op die manier komen de betere clubs elkaar wel vaker tegen en zullen meer wedstrijden van een hoger niveau zijn. Aan de andere kant hebben we regelmatig oefentrips met het Nederlands team waarin we duels op internationaal niveau spelen. Ook de play-offs zijn altijd van hoog niveau.”

Ook meent Kruis dat het goed is af en toe tegen kwalitatief mindere teams te spelen. „Zulke teams zijn vaak verdedigend ingesteld. Als international moet je leren daarmee om te gaan, het baltempo hoog te houden en weten hoe je door een zware verdediging heen moet breken. Maar om internationaal voorop te blijven lopen is het te allen tijde zaak om te zorgen dat onze competitie de sterkste in de wereld blijft.”

Janneke Schopman, die in september afscheid nam als international en nu coach is van SCHC, vindt het vooralsnog te makkelijk om ervan uit te gaan dat haar ploeg aan de play-offs zal meedoen. „Het team heeft de kwaliteit om de play-offs te halen maar is relatief nog erg jong. Op basis van de afgelopen dertien jaar kun je ervan uitgaan dat Amsterdam, Laren en Den Bosch op de eerste drie plaatsen zullen eindigen. Maar voor die vierde plek zal moeten worden geknokt.”

Schopman meent, in tegenstelling tot Agliotti, dat het op zich goed is dat internationals elkaar opzoeken. „Misschien zijn de wedstrijden af en toe minder spannend, maar het spelniveau is met allemaal toppers bij elkaar natuurlijk veel hoger.” Schopman ziet echter wel een ander probleem in de concentratie van internationals bij de eerste vier clubs. „Ploegen zonder internationals zijn daardoor genoodzaakt om speelsters uit het buitenland te halen om nog mee te kunnen in de hoofdklasse. De buitenlandse top is wat mij betreft welkom maar het is niet de bedoeling dat tweede- en derderangs buitenlanders hierheen komen, zoals dat bij de mannen het geval is.”

Ook Kruis vreest daarvoor. „Uit onderzoek is gebleken dat ruim een derde van de buitenlanders in de mannencompetitie geen meerwaarde heeft voor de hoofdklasse. Dat moeten wij hoe dan ook voorkomen.”