We leven weer in een interbellum

Johan Simons is intendant geworden bij het belangrijke Duitse gezelschap de Münchner Kammerspiele. Hij nam Nederlandse acteurs als Pierre Bokma, Jeroen Willems en Katja Herbers mee. „Ik denk dat ze mij hebben gevraagd omdat ik het gezelschap een wereldse uitstraling kan geven.”

Nederland, Amsterdam, 31-01-2008 Johan Simons, operaregisseur. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS
Nederland, Amsterdam, 31-01-2008 Johan Simons, operaregisseur. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS

‘Fabelhaft, diese fröhliche Wut! Du bist ein ongeleide projectiel!” Toneelregisseur Johan Simons is eigenlijk moe en sikkeneurig en hij wil naar huis. Maar op deze ingelaste zaterdagmiddagrepetitie bij de Kammerspiele van München vergeet hij even zijn heimwee en raakt enthousiast.

In het toneelstuk Hotel Savoy speelt acteur Wolfgang Pregler een revolutionaire soldaat die na de Eerste Wereldoorlog net als vele anderen aanspoelt in een hotel. Met zijn uitgelaten gedrag zet hij de boel op stelten. Als een bezeten clown rent Pregler over de speelvloer, gooit alles en iedereen om. Simons na de repetitie: „Pregler is een moeilijke acteur, vaak brommerig. Maar nu liet hij zich voor het eerst helemaal gaan. Volkomen over de top. Dat maakte iedereen hier even gelukkig.”

Johan Simons, die in 1966 debuteerde als amateurdanser in beatsoos Mont-Martre te Heerjansdam, heeft de top van het Europese theaterlandschap bereikt. Hij is benoemd tot intendant van de Münchner Kammerspiele, een groot en belangrijk Europees theatergezelschap met een eigen theater, een toneelschool, 30 miljoen euro subsidie per jaar, een eigen vermogen van 325 miljoen euro, 360 werknemers, van wie 49 acteur. Simons, zoon van een boerin en een bakker, is een Duitse kunstpaus geworden.

Gisteravond vond de feestelijke opening plaats van Simons’ eerste seizoen: zijn toneelbewerking van Joseph Roths roman Hotel Savoy. „Wat ik mooi vind aan Roth”, zegt Simons later in een van de cafés van het theater, „is dat hij zo goed over ontworteling schrijft. Hij weet heel goed wat heimwee is. In Hotel Savoy laat hij allerlei Heimkehrer vlak na de Eerste Wereldoorlog samenkomen in een hotel. Dat hotel wordt daarmee Europa in transitie, of eigenlijk: op weg naar de ondergang.” Volgens Simons laat Roth twee mensbeelden botsen. „In de tweede scène, die we net repeteerden, komt hoofdpersoon Gabriel Dan zijn oude wapenbroeder tegen, die de revolutie in zijn bloed heeft zitten. Tegelijk is hij een vertegenwoordiger van het oude Europa; een mens de nog gelooft in de kracht van de gemeenschap. Gabriel Dan gelooft niet meer in saamhorigheid, hij is voor mij de moderne mens, de individualist die alleen zijn eigen pijn voelt. Ik moet zeggen dat mijn sympathie bij de revolutionair ligt.”

Hotel Savoy verscheen in 1924. Roth schrijft over het oude Europa dat verloren ging met de Eerste Wereldoorlog. Hoewel hij stierf in 1939, voorvoelde Roth de komst van de Tweede Wereldoorlog. Het hotel is nog ouderwets ingericht: met de rijken en aanzienlijken op de onderste verdieping en de armen en onaanzienlijken helemaal boven. De burgers hebben geen enkel begrip voor de terugkerende soldaten, waardoor de frustratie ontstaat die een der voedingsbodems van het nazisme zal worden.

Simons wil die voorbode van de catastrofe in het stuk aanzetten: het hotel vliegt in brand, als metafoor voor de ondergang van de wereld. Simons: „Daarna loopt een jood het hele toneel over, terwijl je muziek van Messiaen hoort. Het is een stuk dat hij heeft gecomponeerd in een kamp tijdens de oorlog. Ja, dat weten de Duitsers die komen kijken heel goed.”

Zojuist is in het repetitielokaal het nieuws over het Nederlandse regeerakkoord, waarin Wilders een belangrijke rol speelt, en de zware bezuinigingen op kunst als een bom ingeslagen. Simons: „In feite leven we nu ook in zo’n interbellum. Met een ongelooflijke verrechtsing van het politieke leven. Niet alleen in Nederland, maar in heel Europa. Bevolkingsgroepen worden uitgesloten. De mikpunten van agressie zijn hetzelfde: linksen, intellectuelen, kunstenaars, toen de Joden, nu de moslims.”

Kunst is een politieke zaak in Duitsland, merkte Simons weer bij zijn benoeming: „Kunst is hier zo politiek ingebed dat de keuze van de intendant een zaak van de gemeenteraad is. Hier moet een nieuwe intendant zich eerst voorstellen aan de raad en daarna pas aan zijn gezelschap. Ik kreeg zeven minuten spreektijd, en moest daarna vragen van raadsleden beantwoorden. De kunst wordt vanuit de politiek aangestuurd. Dus geen peer review zoals bij ons: dat commissies van betrokkenen oordelen over de besteding van de kunstsubsidies. Kunstenaars worden hier ver van het geld gehouden.”

Simons denkt dat zijn opening niet goed ontvangen zal worden in de pers. „In de eerste plaats omdat theateropeningen hier altijd worden afgebrand. In de tweede plaats omdat hier een discussie woedt over romanbewerkingen. Ik begin het seizoen met drie romanbewerkingen. Voor mij is dat min of meer toevallig, maar de pers ziet daar een statement in. Critici vinden dat ik geen boeken moet naspelen, maar het klassieke repertoire moet onderhouden. Een soortgelijke discussie speelt in Nederland, maar dan toegespitst op toneelbewerkingen van bekende films. Romans geven mij meer vrijheid als regisseur, om bijvoorbeeld te experimenteren met andere vertelvormen, maar dat kan ik hier niet zeggen.”

Die roep om het repertoire vindt Simons niet per se verwerpelijk conservatisme. „München is een boerenstad die vrij recent een rijke wereldstad is geworden, dankzij Siemens, BMW, en grote financiële bedrijven als Allianz. Er is dus geld, maar ook een gevoel dat de tot burger omgebouwde boer opgevoed moet worden: de Bildungsdrang van de Bildungsbürger, de hoogopgeleide, liberale burger. Het theater moet daaraan bijdragen door het brengen van het repertoire. De burger moet kunnen kennismaken met Tsjechov en Shakespeare, Schiller en Goethe; opdat hij een beter mens wordt.”

Terwijl Simons de Bildungsbürger verdedigt, trekt aan het café veel volk voorbij in Beierse klederdracht: de heren in aantrekkelijke lederen kortbroeken en de dames verkleed als bekoorlijke serveersters die hun eigen borsten opdienen. München wordt dezer dagen beheerst door het Oktoberfest. Daar drinkt de Bildungsbürger rug aan rug met de fabrikant en de arbeider en zingt van bier, tieten en Anton aus Tirol.

De Duitse stadstheaters zitten anders in elkaar dan de Nederlandse. De Nederlandse stadsgezelschappen maken een toneelstuk waar ze kort mee door het land toeren. Daarna is het verdwenen. De plaatselijke schouwburg is niet van hen. In het Duitse systeem blijven de stadsgezelschappen gewoon thuis. Ze hebben een eigen theater waar iedere avond een ander stuk uit het eigen repertoire wordt gespeeld. Simons vindt dit systeem een groot goed: „Zo is de hele stad bij het gezelschap betrokken. Door stukken op het repertoire te houden, bouw je een band met het publiek op. Daarom zou dat ook in Nederland moeten gebeuren.”

Maar het is nogal log en omslachtig. „Iedere dag moet er een ander decor neergezet worden. Daar heb ik 175 technici voor nodig. Bovendien kan ik niet zo makkelijk iets veranderen. De Kammerspiele deden al negen jaar een waanzinnig populair liedjesprogramma, Alle Lust Will Ewigkeit. Het leek me tijd om die eens te vervangen. Maar wat kreeg ik te horen uit de gemeenteraad toen ik me daar kwam voorstellen? ‘Komt Alle Lust Will Ewigkeit weer terug?’ Ik probeerde me ervan af te maken, maar de raadsvoorzitter zei: ‘Herr Simons, ist es ja oder nein?’ Toen heb ik geantwoord: ‘Ja, sorry , ik kom uit een consensuscultuur. Ik moet er nog even over nadenken.’ De raadsleden moesten erg lachen om het woord ‘consensuscultuur’, dus toen had ik voor even het pleit gewonnen.”

Simons: „Als ik zeg: de hele stad is erbij betrokken, dan bedoel ik een passieve betrokkenheid. De mensen die daadwerkelijk komen kijken verschillen niet zo van mijn Nederlandse publiek. 98 procent leest de Süddeutsche Zeitung, vergelijkbaar met NRC, 80 procent komt op de fiets, voor de Umweltschutz. Als een acteur op toneel een sigaret opsteekt, krijg ik brieven.

„Ooit ben ik met Hollandia op locatie gaan spelen om het theater naar het gewone volk te brengen. Maar al snel stonden de boerenerven en lege fabrieksterreinen waar we speelden vol met BMW’s en had ik het meest verdienende, hoogst opgeleide publiek van alle theaters. Nu heb ik dat weer. Het theater ligt aan de Maximilianstrasse, een PC Hooftstraat in het kwadraat, waar Arabische oliesjeiks komen winkelen. Mijn dramaturgen zijn nogal linkse jongens. Die weigeren zelfs door die straat te fietsen. Ze gaan altijd achterom. Ik ga proberen om de zaak open te gooien en een andere, jonger, vlotter publiek te trekken.”

Simons neemt vele Nederlanders en Vlamingen met zich mee: acteurs Pierre Bosma, Jeroen Willems, Elsie de Brauw, Katja Herbers, Benny Claessens en Kristof Van Boven. Regiseurs Ivo van Hove, Susanne Kennedy en de net afgestudeerde Julie Van den Berghe maken dit seizoen een regie bij de Kammerspiele. Volgens hem zijn de Duitse collega’s enthousiast over de Nederlanders en hun losse, extreme speelstijl.

„Ik heb veel gehad aan mijn grote voorganger: Louis van Gaal”, zegt Simons. Trots toont hij zijn seizoenskaart van voetbalclub Bayern München waar landgenoot Van Gaal de trainer is: „Van Gaal is hier waanzinnig populair. Ze vinden zijn neerlandismen geweldig. Zoals Cruijff dat had in Barcelona, en vroeger hier Rudi Carrell. Van Gaal introduceerde bijvoorbeeld de uitdrukking: Der Tod oder die Gladiolen. En ze zeggen niet meer Fussball gespielt, maar gefussballt. Net als hij. Met Van Gaal is de goodwill voor Nederlanders groot, en daarmee ook de waardering voor de Nederlandse methode.”

Wat is de Nederlandse methode? „Ik denk dat ze mij als intendant hebben gevraagd omdat ik het gezelschap een wereldse uitstraling kan geven, een Europese uitstraling. Maar ook omdat ik als Nederlander een lossere manier van werken heb. Het gezelschap zit nogal strak en hiërarchisch in elkaar. Als ik tegen de acteurs zeg: naar rechts, dan gaan ze meteen allemaal naar rechts. Een Nederlandse acteur zou zeggen: ‘Ja maar, is links niet een beter idee?’ Dat kun je hinderlijk vinden, en dat is het ook, maar misschien is links inderdaad wel een beter idee. Ik heb tegenspraak nodig. Mijn stelregel is: het beste idee telt. Of dat nu van mij, van een acteur, of van de portier komt.”

Bij de repetitie zit Katja Herbers er steeds bij, hoewel ze in deze scène niet meedoet. Herbers: „Johan vindt het prettig om mij ernaast te hebben, zodat hij zo nu en dan in het Nederlands kan mompelen: is het wat?” Simons: „Acteurs zijn hier gewend om alleen te repeteren als ze aan de beurt zijn. Op afroep, net als in de opera. Ik ben gewend te repeteren met alle acteurs erbij, ook al ze even niet aan de beurt zijn. Daarmee kweek je betrokken acteurs die zich om de hele voorstelling bekommeren. Die betrokkenheid zie je terug op het podium. Dat Duitse deeltijd-repeteren is wel nodig, want ze moeten echt iedere avond spelen. Dan kun je ze niet de hele dag bij een repetitie zetten. Toch wil ik langzaam de Nederlandse methode invoeren, door Katja Herbers en Pierre Bokma bij alle repetities te laten zijn. Als Bildung voor de Duitsers.”

De anderen komen druppelsgewijs binnen in de zaal. Alleen Pierre Bokma maakt een grootse entree, door uit een trapgat midden op de speelvloer op te duiken in een koddig piccolopakje. Hij roept: „Albert West zoals u hem nooit eerder zag!”

Pierre Bokma debuteert in München op eigen verzoek in een bijrol, als hotelbediende. Simons: „Eerst had ik hem hier geïntroduceerd als ‘de grootste acteur van Nederland’. Maar hij zei: ‘Wil je dat nooit meer zeggen?’ Hij wil in Duitsland juist opnieuw beginnen, zonder de ‘naam’ die hij heeft in het Nederlandse theater. En het werkt. Verschillende Duitsers vroegen al aan mij: ‘is hij Duits?’ Pierre Bokma denkt namelijk dat hij ontzettend goed Duits spreekt, en dat weet hij overtuigend over te brengen op de Duitsers.”

Maar Bokma is niet gewend een bijrol te spelen. Simons: „Bij een eerdere repetitie deden de hoofdrolspelers een dialoog rechts op het toneel, maar mijn aandacht werd steeds naar links getrokken. Op een gegeven moment zaten alle aanwezigen naar links te kijken. Bleek Bokma daar met stil spel iemand te spelen die een gesprek afluistert. Ik zei: ‘Pierre, je trekt alle aandacht weg!’ Hij zei: ‘Ik probeer gewoon wat uit.’

„Volgend jaar ga ik hier de Faust met hem doen. Ja, dat is wel een hoofdrol. Bayern München heeft Arjen Robben en wij hebben Pierre Bokma.”

Simons loopt naar buiten om een taxi te nemen. Hij gaat voor één dag heen en weer naar de Betuwe. Naar huis, zijn andere huis. Hij had zich voorgenomen om ieder weekeinde vrij te houden voor zijn gezin in Nederland. Maar dat is nog niet zo goed gelukt. Dat drukt vandaag zijn humeur: „Soms twijfel ik er sterk aan of ik er wel goed aan heb gedaan. Mijn jongste zoon woont nog thuis, mijn vrouw zit in Nederland. Ik heb een goed huwelijk. Waarom wonen we dan apart? Dat leidt tot stekelige gesprekken aan de telefoon.”

Bij de taxi zegt de ontwortelde Heimkehrer: „Ik droom alweer van een nieuw gezelschap: een kleine groep, zo’n zeven, acht man. En dan repeteren we in een fruitschuur bij Varik. Op loopafstand van mijn huis.”

‘Hotel Savoy’ is op 21 en 22 jan in Amsterdam te zien. Inl: muenchner-kammerspiele.de