Kleine, behapbare drama's

Joke Linders: Ik hou zo van... de Gouden Boekjes. Het verhaal van de Gouden Boekjes in Nederland. Rubinstein, 183 blz. € 24,95

Wat is dat toch – ‘het Gouden Boekjes-gevoel’? Op boekenbeurzen veroorzaakt een stapel Gouden Boekjes steevast een storm van reacties en lyrische uitbarstingen, schrijft Joke Linders in Ik hou zo van ... de Gouden Boekjes. Er zijn natuurlijk mensen die ze niet kennen, de kinderboekjes met het karakteristieke gouden ruggetje, maar voor velen horen ze tot de canon van de Nederlandse kinderliteratuur. Terwijl het van oorsprong Amerikaanse boekjes zijn, die vaak een geromantiseerd vooroorlogs Amerika tonen. De eerste zes maakten na ‘een schier onverstaanbaar telefoongesprek’ ruim zestig jaar geleden de oversteek van de stad Racine, Wisconsin, naar uitgeverij De Bezige Bij. Daarna ging het rap met Pietepaf het circushondje en Vijf brandweermannetjes en hun kompanen die in groten getale de harten stalen van naoorlogse kinderen.

Non-fictieauteur Joke Linders, die eerder promoveerde op het schrijverschap van Annie M.G. Schmidt, beschrijft de geschiedenis van de boekjes in Ik hou zo van... de Gouden Boekjes (de titel verwijst naar Gouden Boekje nummer 23: Ik hou zo van...). Ze probeert het geheim van het succes te verklaren. En hoe het komt dat de boekjes nu nog aanspreken? Vinden jonge kinderen ze zo leuk – of kopen ouders en opa’s en oma’s de boekjes uit heimwee en sentiment?

Sinds uitgeverij Rubinstein tien jaar geleden de boekjes is gaan uitgeven, heeft ‘het merk’ Gouden Boekjes een wedergeboorte doorgemaakt. Jaarlijks komt er een stroom mooi vormgegeven ‘oude’ nieuwe en ‘echt’ nieuwe Gouden Boekjes uit: geschreven door de beste Nederlandse kinderboekenauteurs. Vorige maand nog bracht Toon Tellegen drie Gouden Boekjes uit, geïllustreerd door Jan Jutte, Arjan Boeve en Gerda Dendooven.

Het geheim ligt al die tijd in een combinatie van kunstzinnigheid en een lage prijs, plus hoge kwaliteit van vorm en inhoud, zegt Linders. De verhaallijnen zijn veilig, maar ook subtiel theatraal. ‘Idylle, idylle verstoord, idylle hersteld’. De ‘kleine behapbare drama’s, vlot verteld en gemakkelijk toegankelijk’, hebben ‘verrukkelijke prenten in een uitdagende opmaak’.

Vooral dat laatste telt. De poederige illustraties die ons vroeger lieten zien hoe het ‘vrije Amerika eruitzag, het land van onze bevrijders’ – zoals in De gele taxi en Een jaar in de stad – zijn tijdloos betoverend. De schitterende kleuren, in De kladderkatjes of het dramatische Sloffie Sleepboot.

Linders scheert in het prachtig verzorgde boek langs de zestigjarige geschiedenis, om af en toe stil te staan bij een beeldbepalend figuur, zoals Lucille Ogle die bij belangrijke ontmoetingen jurken droeg in hetzelfde blauw als haar doordringende ogen. Of bij een bijzondere geschiedenis. Het door velen geliefde Wim is weg is jarenlang ten onrechte niet toegeschreven aan Rogier Boon, maar aan Annie M.G. Schmidt, die vermoedelijk betrokken was bij taalcorrecties. Boon in ere hersteld, geschiedenis rechtgezet, zou je denken. En waar blijft nu de heruitgave van Wim is weg? ‘In zijn enthousiasme over het werken met de Gouden Boekjes ging Rubinstein onhandig om met het regelen van een aantal zaken rondom Wim is Weg’, schrijft Linders eufemistisch.

Deze omzichtigheid is een beetje jammer. Weliswaar stipt Linders ook de kritiek aan die in de loop der tijd op de Gouden Boekjes is losgelaten– denk aan het vermeend ‘foute’ boekje Sambo het kleine zwarte jongetje – maar de toon bleef sussend.

Wat heeft zich dan voorgedaan met de erven-Boon? Elsbeth Etty, criticus van deze krant, zou iets minder lovends hebben beweerd over het aankleden van dieren in verhalen, maar je krijgt niet te weten wat Etty nou precies heeft beweerd. Linders’ boek is een beetje zoals een Gouden Boekje zelf; het verhaal is warm en veilig, de boze buitenwereld ver weg.