Harige shetlandpony

‘Als we nou op die uitkijktoren klimmen, dan kunnen we vast de vuurtoren zien.”

„Volgens mij is dit de heetste oktoberdag sinds... bijbelse tijden?”

„Kijk, in deze richting ligt Hoek van Holland. Bij die rookpluimen. Of zou het Rotterdam zijn?”

„Ik ga even naar deze kant.”

„NIET ZO DICHT BIJ DE RAND IK HEB HOOGTEVREES EN JE WEET HET!”

„Sorry, sorry. Daar is in ieder geval de vuurtoren. Niet zo ver.”

„Hier moeten we dus naar rechts.”

„Links.”

„Op de kaart staat rechts.”

„Maar ik zag vanaf de uitkijktoren het zandpad links liggen.”

„Jij wist ook niet of het Rotterdam of Hoek van Holland was.”

„Hoe oud is die kaart eigenlijk? Volgens mij staan er nog dodobroedplaatsen op aangegeven.”

„We gaan al naar links.”

„Gek hè, dat we nu de vuurtoren niet kunnen zien.”

„Let je wel op de Zeeuwse flora en fauna? Ik zag bijvoorbeeld net een langpootspin.”

„Waar is die vuurtoren nou heen?”

„En twee duinen geleden een harige shetlandpony die jouw jas probeerde op te eten. Die zag ik ook.”

„Die verdomde vuurtoren kan toch niet weg zijn?”

„ Is dit een pad, denk je? Het ligt er namelijk nogal aan hoe je ‘pad’ definieert.”

„Dit plukje helmgras komt me echt te bekend voor.”

„Misschien de volgende keer wél een telefoon meenemen.”

„Kijk! Daar! De vuurtoren!”

„Vanaf de uitkijktoren leek hij wel ietsjes dichterbij hè?”

„Als we dit duin over zijn, ga ik echt wat doen aan dat zand in mijn schoen. Echt.”

„Die massieve stapelwolken daar, is dat toevallig onweer?”

„En nu is dat ding weer weg! HOE. KAN. DAT?”

„Als we nu al twee uur doen over de wandeling naar de vuurtoren... dan duurt het nog... zo’n drie uur voor we weer bij de fietsen zijn. Hoe laat wordt het eigenlijk donker?”

„Zouden onze lijken worden opgegeten door shetlandpony’s?”

„Hee, op deze kaart staat dat je helemaal niet bij de vuurtoren mag komen! Dat is verboden.”

„Omkeren?”

„Ik voel een druppel.”

Renske de Greef