Mossel en friet

Om de onverwachte, stralende nazomerdagen te vieren ben ik een paar dagen met mijn ouders in Zeeland. We hebben een vakantiehuisje gehuurd op een plek waar we vroeger ook veel zijn geweest. „Hm”, zegt mijn moeder als we naar het huisje lopen. „Ze hebben het park aangepast. Dit is anders dan vroeger.” Zelf zou ik

Om de onverwachte, stralende nazomerdagen te vieren ben ik een paar dagen met mijn ouders in Zeeland. We hebben een vakantiehuisje gehuurd op een plek waar we vroeger ook veel zijn geweest. „Hm”, zegt mijn moeder als we naar het huisje lopen. „Ze hebben het park aangepast. Dit is anders dan vroeger.” Zelf zou ik het niet durven zeggen, vakantieparken lijken inwisselbaar en de huisjes ook: het onze heeft gordijnen met blauwe vlakken, een blauwgemêleerd tapijt en een aquarel aan de muur waar de kunstenaar waarschijnlijk vorm heeft proberen te geven aan de gedachte ‘De Treurigheid van het leven, in pastel’. Omdat het zomaar een week in oktober is bestaan al onze buren uit gepensioneerde echtparen met teckels.

In het huisje vind ik de totale afwezigheid van identiteit wel prettig, de ruimte is duidelijk dienend aan de vluchtige inwoners. Maar bij het verlaten van het terrein, langs de minimarkt waar de verse broodjes in het Duits worden aangeprezen en ik bij de keienweg naar het dorpje kom, denk ik: ik herken niets. Er is een pad dat naar het duingebied leidt, verderop staan kleine stenen huisjes met keurig aangeharkte tuintjes langs de rand van de weg. Deze omgeving zou bekend moeten zijn. Het is vreemd: ik heb uiteraard herinneringen aan die vakanties. Hoe ik samen met mijn broertje minuscule garnaaltjes ving in de poelen van de terugtrekkende zee, dat ik met mijn eerste grote liefde op het strand picknickte om het eenjarig jubileum van onze relatie te vieren en een visser toen voor onze ogen een meeuw verdronk, hoe ik in de ban was van een cassette met panfluit- en kikkergeluiden en die elke avond op mijn gele walkman in het gras luisterde. Ik weet het nog wel. Ik herken alleen niets.

Ook in het dorpje dwaal ik rond, langs bakkertjes die allemaal echte Zeeuwse bolussen verkopen, een slager die een enorme rookworst als reclamebord heeft, een marktplein omringd door mosselen & friet-eetcafés en souvenirwinkels die overlopen van de vuurtorenbeeldjes, schelpenmandjes en meeuwen op stokjes. En dan, opeens, zie ik in een zijweg een Chinees restaurant. De straat, de ramen van het restaurant, de pinautomaat daartegenover: ik herken het. Ik was daar, met broertje en ouders, we waren moe van een lange fietstocht en hadden vooral veel honger. Terwijl wij op ons eten wachtten, kreeg de man aan het tafeltje naast ons eerst zijn maaltijd. Het was een mollige man die stoïcijns voor zich uitkeek en zijn eten op een wonderlijke manier heel snel kauwde. Mijn broertje en ik konden onze ogen niet van die man afhouden, van al dat heerlijk ruikende eten en hoe hij het vervolgens als een onverschillige hamster naar binnen aan het werken was.

Op de stoep van het restaurant bel ik mijn broertje. Hij weet het nog.